Skip to content

#154 De ondraaglijke traagheid in fraudezaken

24 februari 2020

 

Onmenselijke inbreuk op mensenrechten

In artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamen­tele vrijheden (EVRM) is het recht op een eerlijk proces gegarandeerd. Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht.

De nationale rechtspraak weet deze minimumwaarborgen niet altijd op waarde te schatten, of lijkt daaraan niet te veel gewicht te willen toekennen. Zo heeft de strafkamer van de Hoge Raad alweer langer geleden beslist dat het overschrijden van de redelijke termijn niet aan de vervolging van aangeklaag­den in de weg staat (Hoge Raad 17 juni 2008, NJ 2008/358). Zelfs niet in uitzonder­lijke gevallen. Een overschrijding van de redelijke termijn leidt hooguit tot een (zeer beperkte) strafvermindering. Of daarmee voldoende compensatie wordt geboden voor de – soms – extreem lange duur van een strafvervolging, dient ernstig te worden betwijfeld.

Vooral fraude­zaken duren, ook vanwege de veelal internationale context, erg lang. Beklaagden leven al die tijd onder de druk en dreiging van een strafvervolging. Druk en dreiging die soms tot onmense­lijke gevolgen leiden. Mensen raken hun baan of bedrijf kwijt, verliezen hun maatschappelijke status, sterker, worden gezien als paria’s. De duur van de strafprocedure wordt veelal ervaren als een straf op zich, misschien wel een zwaardere straf, dan de straf die de rechter uiteindelijk oplegt in het geval van een bewezenverklaring. Een – felbevochten – vrijspraak levert meestal geen blijdschap op. Zo’n vrijspraak vormt meer een eindpunt van een lange lijdensweg, die diepe sporen achterlaat. Mensen zijn zo beschouwd voor het leven getekend. Dat is nu juist wat het mensenrechtenverdrag heeft bedoeld te voorkomen.

Rechterlijke ongehoorzaamheid

Er zijn – gelukkig – nog steeds rechters die de garantie van een vervolging binnen een redelijke termijn, hoger in het vaandel hebben staan dan de Hoge Raad. Een voorbeeld van zo’n zwaluw kan gevonden worden in een vonnis van de politierechter (rechtbank Amsterdam 18 december 2019, gepubliceerd 4 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2019:10062).

De zaak ging over een accijns­fraude. Aan de verdachte was verweten dat zij zich schuldig had gemaakt aan het opzet­telijk vervaardigen en voorhanden hebben van sigaretten die niet in de heffing van accijns waren betrokken. De verdachte was kennelijk niet op de zitting verschenen. De officier van justitie had zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn was overschreden, maar, dat dit, gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, niet tot niet-ontvankelijkheid kon leiden. De officier waande zich vermoedelijk in een comfortabele positie, maar keek uiteindelijk lelijk op de neus. De rechtbank concludeert toch tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, na overigens het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, expliciet te hebben genoemd.

Officier toch niet-ontvankelijk bij overschrijden redelijke termijn

De rechtbank oordeelt dat niet kan worden volstaan met een andere sanctie op de termijn­overschrijding dan de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Daartoe acht de rechtbank een aantal omstandigheden van belang. Er waren sinds de aanhouding van de verdachte inmid­dels bijna zes jaren verstreken. De lange tijdsduur was volgens de officier van justitie veroor­zaakt door (vergeefse) pogingen de leidinggevenden van de verdachte te vinden.

De rechtbank meent dat deze oorzaak niet voor rekening van de verdachte mag komen, en wijt de ernstige termijnoverschrijding aan het optreden van het Openbaar Ministerie. Volgens de rechtbank heeft dat optreden tot gevolg gehad dat het verdedigingsbelang is geschonden, “waarbij ook de waarheids­vinding een rol speelt.” Hier raakt de rechtbank een wezenlijk punt. Hoe kan de rechter in hemelsnaam de waarheid nog achterhalen, als de ten laste gelegde feiten, zich zo lang geleden hebben afgespeeld? Dat is ondoenlijk. De rechtbank voegt aan haar overwegingen toe, dat een (eventuele) bewezenverklaring nauwelijks ruimte biedt voor een strafoplegging die nog enig strafdoel kan dienen. De politierechter verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging, na de uitzonderlijke omstandigheden (toch) te hebben gewogen, in weerwil van de jurisprudentie van de Hoge Raad. Zo komt het recht tot zijn recht.

Hoge Raad koerst gewoon door

De Hoge Raad intussen, blijft vasthouden aan zijn lijn, en past deze ook toe in andere situaties. Gewezen zij in dit verband op het lezenswaardige artikel van Spong en Kelder in het Nederlands Juristenblad van 14 februari 2020, “Straffeloos talmen, De wil van de wetgever ten spijt” (NJB 2020/357).

De auteurs uiten hun kritiek op twee recente arresten van de Hoge Raad. In het arrest van 17 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1472, oordeelde de Hoge Raad over een geval, waarin op de voet art. 36 (oud, nu 29f) Sv, een verzoek tot beëindiging van de zaak was gedaan, welk verzoek door de rechtbank was toegewezen. De Hoge Raad steekt daar echter een stokje voor, door – onder verwijzing naar zijn redelijketermijnjurisprudentie – te oordelen dat de rechtbank een verkeerde maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van het beëindigings­verzoek.

In een ander arrest – waarop de auteurs wijzen – komt de Hoge Raad tot de conclusie dat de wetsgeschiedenis van art. 511b, lid 1 Sv er niet toe dwingt dat een overschrijding van de (wettelijke) termijn van twee jaar voor het aanhangig maken van een ontnemingsvordering, zonder uitzondering tot niet-ontvankelijkheid dient te leiden (Hoge Raad 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1932). Een overschrijding van die termijn door de officier van justitie hoeft volgens de Hoge Raad dus niet altijd tot niet-ontvankelijkheid te leiden. Zo zijn zelfs wettelijke termijnen niet meer heilig, zonder dat daarvoor enig positief aanknopingspunt is te vinden in de wetsgeschiedenis.

De Hoge Raad is het Openbaar Ministerie aldus te zeer ter wille. Daar is niemand mee gediend, ook het Openbaar Ministerie zelf niet. Dat wordt er alleen maar lui van.