Skip to content

#161 Kan persoon van de aangever in douaneaangifte achteraf worden gewijzigd?

09 april 2020

Deze interessante vraag ligt voor in een procedure bij het Hof van Justitie. A-G Hogan heeft in deze zaak onlangs een conclusie uitgebracht. De A-G is van mening dat een douaneaangifte op grond van artikel 78 CDW zodanig mag worden herzien dat de oorspronkelijke aangever wordt vervangen door de naam van een andere persoon. Een standpunt dat wij ondersteunen en tegengesteld is aan eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.

Uitgangspunt in het douanerecht is dat de aangever wordt aangemerkt als de douaneschuldenaar en dus na invoer en aangifte bij de douane – door middel van het opleggen van een ‘uitnodiging tot betaling’ – wordt aangesproken voor de verschuldigde douanerechten. De aangever is de persoon die in eigen naam een douaneaangifte indient, dan wel de persoon namens wie deze aangifte wordt ingediend[i]. In dat laatste geval is sprake van ‘directe vertegenwoordiging’. De douanevertegenwoordiger (meestal een douane-expediteur) is dan gemachtigd om de aangifte op naam en voor rekening van zijn opdrachtgever (vaak: de importeur) in te dienen. Uitgangspunt is dus dat de douane-expediteur, die als direct vertegenwoordiger optreedt, niet aansprakelijk is voor de verschuldigde douanerechten. Dat is zijn opdrachtgever, vaak de importeur van de goederen.

Procedure bij het Hof van Justitie

In deze zaak bij het Hof van Justitie[ii] heeft (dochter-)onderneming ‘Oradea’ rietsuiker uit Brazilië gekocht die in de fabriek van (moeder-)onderneming ‘Pfeifer’ zou worden geraffineerd en vervolgens aan laatstgenoemde zou worden verkocht.

Oradea kon de rietsuiker tegen een verlaagd invoerrecht invoeren, omdat zij de beschikking had over een zogenoemd invoercertificaat. Zij had daarom een machtiging aan Pfeifer gegeven om de douaneaangifte namens haar in te dienen. Oradea zou dan dus in de douaneaangifte als aangever worden aangemerkt. Pfeifer diende de aangifte echter – ondanks de verstrekte machtiging – op eigen naam in, maar maakte wel gebruik van het invoercertificaat van Oradea. De douane vorderde vervolgens de douanerechten bij Pfeifer na voor het verschil tussen het normale invoerrechttarief en het verlaagde tarief op basis van het invoercertificaat. Pfeifer was immers in de douaneaangifte de aangever / douaneschuldenaar en beschikte niet over een invoercertificaat.

De vraag die het Hof van Justitie moet beantwoorden is of op een douaneaangifte op grond van art. 78 CDW de naam van de aangever (in casu: Pfeifer) kan worden vervangen door de naam van Oradea (aan wie een invoercertificaat was afgegeven).[iii]

A-G Hogan heeft deze vraag alvast bevestigend beantwoord. De A-G merkt onder meer op dat uit een groot aantal arresten van het Hof van Justitie kan worden afgeleid dat het Hof er de voorkeur aan geeft zich te baseren op de logica achter artikel 78 CDW. Dit artikel beoogt de douaneprocedure af te stemmen op de werkelijke situatie.

Indien een aangever (door middel van de aangifte) heeft verklaard uitsluitend in eigen naam te handelen, terwijl hij de opdracht had gekregen om de douaneaangifte in naam en voor rekening van een derde te doen, dan mag de aangifte na de vrijgave van de goederen, op grond van art. 78 CDW, zodanig worden herzien dat de volmachtgever (Oradea) als aangever wordt vermeld. Voorwaarde is dat deze machtiging bestond voordat de aangifte werd ingediend.

Standpunt Hoge Raad

Daarmee neemt de A-G een ander standpunt in dan de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde namelijk op 13 maart 2015 dat een wijziging van de aangever niet mogelijk is, omdat dit zou leiden tot het vervangen van de oorspronkelijke aangifte door een aangifte van een ander. Een dergelijke vervanging is van een andere orde dan het wijzigen van andere gegevens in de douaneaangifte, zoals bijvoorbeeld de douanewaarde of de voorafgaande douaneregeling.[iv]

Wij zijn het echter eens met de conclusie van de A-G en zijn benieuwd of het Hof van Justitie de conclusie van A-G Hogan overneemt.

Herziening in DWU

In de huidige douanewetgeving, het Douanewetboek van de Unie, is de mogelijkheid om de douaneaangifte te herzien anders geformuleerd dan voorheen in het CDW. Volgens artikel 173, lid 3 DWU kan herziening binnen drie jaar na het doen van de douaneaangifte plaatsvinden, indien de aangever daarmee “zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling kan nakomen”. Een bepaling die niet uitblinkt in duidelijkheid en waarvan de reikwijdte op dit moment niet duidelijk is. Wij kunnen ons voorstellen dat hierover in de nabije toekomst ook vragen aan het Hof van Justitie worden gesteld.

 

 

 


[i] art. 5 lid 15 Douanewetboek van de Unie – voorheen art. 5 Communautair Douanewetboek.

[ii] Conclusie A-G HvJ EU, nr. C-97/19 (Pfeifer & Langen), 25 februari 2020 (ECLI:EU:C:2020:108).

[iii] Artikel 78 CDW was geldig tot 1 mei 2016 en bood de douane de mogelijkheid om de aangifte na vrijgave van de goederen te wijzigen.

[iv] Hoge Raad nrs. 13/04052 en 14/04224 van 13 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:550 en ECLI:NL:HR:2015:519).