Skip to content

#162 Wees niet te vroeg, voorkom niet-ontvankelijkheid

20 april 2020

Met enige regelmaat worden uitspraken gepubliceerd waarin een (hoger) beroep ongegrond is verklaard omdat een bezwaarschrift te laat of juist te vroeg is ingediend. Dat niet-ontvankelijkheid veelvuldig onderdeel uitmaakt van het strijdtoneel blijkt ook uit de in 13 t/m 17 april jl. gepubliceerd uitspraken (feitelijke instanties). In maar liefst 14 van de 54 gepubliceerde fiscale uitspraken (± 25%) stond de niet-ontvankelijkheid centraal.

De problematiek over het te vroeg (of te laat) indienen van bezwaarschriften is met name aan de orde bij de omzetbelasting. De op 14 april jl. gepubliceerde uitspraak van Rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2020:2726) illustreert nogmaals dat het indienen van een bezwaarschrift tegen de eigen voldoening van belasting op aangifte strikt wordt uitgelegd en tot niet-ontvankelijkheid kan leiden. Is het bezwaarschrift niet-ontvankelijk dan wordt aan de inhoudelijke behandeling van het geschil niet toegekomen, ongeacht of je met goede gronden bezwaar of (hoger) beroep hebt aangetekend.

Bij een (kennelijke) niet-ontvankelijkheidsverklaring komt het fiscale besluit (de aanslag) onherroepelijk vast te staan en is toegang tot de fiscale rechter niet mogelijk. De fiscale rechter is niet bevoegd om (inhoudelijk) over het geschil te oordelen en de belastingplichtige kan zich enkel nog tot de civiele rechter wenden.

Wettelijk kader bezwaar bij voldoening op aangifte

De termijn voor het indienen van bezwaar is van openbare orde. Dit betekent dat een rechtbank of gerechtshof eerst moet beoordelen of de bezwaartermijn in acht is genomen, en daarna bepaalt of het bezwaar terecht (niet-)ontvankelijk is geacht door een inspecteur.

Een bezwaarschrift is vervolgens tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn van zes weken (artikel 6:7 Awb) is ontvangen. Artikel 22j AWR regelt de aanvang én het einde van de bezwaartermijn. Bij aangiftebelastingen is, anders dan bij fiscale besluiten, geen sprake van een gedagtekende en bekendgemaakte beschikking (artikel 22j, sub a, AWR). De termijn voor het indienen van een bezwaar bij voldoening op aangifte eindigt zes weken na de dag van de voldoening. Artikel 22j, aanhef en onderdeel b, AWR bepaalt namelijk dat de termijn voor het instellen van bezwaar aanvangt:

“met ingang van de dag na die van de voldoening of de inhouding onderscheidenlijk de afdracht.”

Voor de beoordeling of het bezwaar tegen voldoening op aangifte van een specifiek tijdvak tijdig is ingediend, is bepalend op welke dag die voldoening daadwerkelijk plaatsvindt, omdat vorenbedoelde termijn alleen aanvangt op de dag na die van de voldoening. Volgens de Hoge Raad is sprake van “voldaan” indien de betaling van de belastingplichtige op de rekening van de rijksbelastingdienst is bijgeschreven. Nu “voldoening” en “betaling” als synoniem wordt gebruikt, kan slechts bezwaar gemaakt worden op de dag volgende op de dag waarop de belasting is betaald en niet eerder. In zijn arrest van 1 oktober 1997, nr. 32174, BNB 1998/6 m.nt. P.J. Wattel, bevestigde de Hoge Raad zijn vaste jurisprudentie op dit punt:

“Naar het Hof terecht heeft overwogen, geldt als dag van een girale betaling de datum van creditering van de rekening van de Ontvanger.”

Wanneer blijft de niet-ontvankelijkheid van een voortijdig bezwaar tóch achterwege?

Indien de belastingplichtige niet conform artikel 22j, aanhef en onderdeel b, AWR bezwaar heeft gemaakt, is in beginsel sprake van een niet-ontvankelijk bezwaar. Er bestaat echter via artikel 6:10 Awb een uitzondering voor een voortijdig ingediend bezwaarschrift, dat wil zeggen een vóór de aanvang van de bezwaartermijn ingediend bezwaarschrift.

Ondanks dat artikel 6:10 Awb niet van toepassing is voor bezwaren tegen op aangifte voldane bedragen omdat aan deze bezwaren geen besluit ten grondslag ligt, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 21 mei 2010, nr. 07/11210, ECLI:NL:HR:2010:BG5382, onder 3.3.2., het volgende overwogen:

“(…) de mogelijkheid van het ontvankelijk zijn van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar [moet] ook worden aanvaard ingeval het betreft een bezwaar tegen de voldoening op aangifte. De in die bepaling bedoelde overeenkomstige toepassing van artikel 6:10 Awb brengt mee – de aard van de belastingheffing bij wege van voldoening op aangifte verzet zich niet daartegen – dat niet-ontvankelijkverklaring wegens de voortijdige indiening van het bezwaarschrift achterwege moet blijven indien het bezwaarschrift is ingediend op of na het moment waarop de aangifte is ingediend en/of de opdracht tot betaling van het bedrag waartegen bezwaar wordt gemaakt, is verstrekt. Aan te nemen valt dat de indiener van het bezwaarschrift zich dan van het voorwerp van bezwaar een vastomlijnde voorstelling heeft gevormd.”

Op grond van artikel 6:10 Awb kan het voortijdig ingediend bezwaar tegen de voldoening op aangifte daarmee alsnog ontvankelijk worden geacht indien de belastingplichtige ten tijde van de indiening redelijkerwijs mocht menen dat de betaling door de rijksbelastingdienst was ontvangen c.q. dat het besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt ten tijde van de indiening reeds tot stand was gekomen of nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. De belastingplichtige draagt hieromtrent wel de stelplicht én bewijslast.

Wat betekent dit voor de praktijk?

De bezwaartermijn van artikel 22j, sub b, AWR begint te lopen op de dag volgende op die waarop de betaling van de verschuldigde belasting op de rekening van de ontvanger is bijgeschreven. Voorkom dat een bezwaar voortijdig – vóór het begin van de termijn – wordt ingediend maar wacht minimaal een dag, te rekenen waarop de betaling heeft plaatsgevonden. Eerder is de belasting nog niet betaald en de wet is helder: de bezwaartermijn begint pas (een dag) na de betaling van de belasting te lopen.

Wordt er bezwaar gemaakt vóór of op de dag van betaling, dan wordt het bezwaar, al dan niet door de rechter, niet-ontvankelijk verklaard. Een inhoudelijke behandeling van het geschil is dan niet meer aan de orde en de inspecteur zal, gelet op de behandeling van het geschil bij de rechter, eveneens niet tegemoetkomen aan een verzoek om een ambtshalve teruggaaf.

Wees daarom alert (!) en stel uw rechten veilig zodat de rechter een geschil met de inspecteur inhoudelijk kan behandelen.