Skip to content

#169 Postperikelen in de fiscale procespraktijk

08 juni 2020

Terpostbezorging, een ouderwets woord behorend bij een ouderwets medium. Zelfs bij de overheid verliest de post de afgelopen jaren hard terrein ten opzichte van het digitale berichtenverkeer.[1] Desondanks speelt ‘de terpostbezorging’ nog altijd een belangrijke rol in de rechtsbescherming van belastingplichtigen. Het bewijs omtrent tijdige terpostbezorging luistert dan ook nauw en leidt in de praktijk geregeld tot discussie. Recente jurisprudentie laat maar weer eens zien dat voor beslechting van een dergelijke discussie een goede verzendadministratie cruciaal is, en dat ook de fiscus zich niet te snel rijk moet rekenen.

Rechtsbescherming en bewijslastverdeling[2]

Het tijdstip van bekendmaking van de aanslag/(boete)beschikking (hierna: beschikking[3]) bepaalt of deze tijdig is vastgesteld en dus of deze geldig is.[4] Is de beschikking wegens verjaring van de termijn te laat vastgesteld dan dan is deze vernietigbaar[5]. Daarnaast bepaalt het tijdstip van bekendmaking van de beschikking ook het tijdstip waarop de bezwaar- of beroepstermijn begint te lopen.[6] De beschikking wordt rechtsgeldig bekend gemaakt door (tijdige) toezending ervan.[7] Als dag van toezending geldt de dag van terpostbezorging. Omgekeerd geldt dat het moment van terpostbezorging van een bezwaar- of beroepschrift bepaalt of dat tijdig is ingediend en op dat punt dus ontvankelijk is.[8] Om deze redenen speelt terpostbezorging – ouderwets of niet – een belangrijke rol in de dagelijkse fiscale (proces)praktijk, en is het geregeld onderwerp van geschil.

Degene die betwist de beschikking of het processtuk te hebben ontvangen, zit in beginsel in een lastige bewijspositie. Want hoe bewijs je dat iets niet is gebeurd? De Hoge Raad is dan ook terecht kritisch op het aannemelijk maken van de verzending. Daartoe houdt de Hoge Raad vast aan zijn vaste jurisprudentie omtrent de uitleg van het begrip terpostbezorging. Terpostbezorging betekent in feite gewoon verzending van een document per post. De Hoge Raad heeft bepaald dat daarvan sprake is wanneer de verzender “het geheel van handelingen (…) verricht dat noodzakelijk is om een poststuk door middel van de postdienst de geadresseerde te doen bereiken.”[9] Dat houdt in dat aannemelijk moet zijn dat de verzender het poststuk ter verzending heeft aangeboden aan een postvervoerbedrijf. De overheid maakt in de regel gebruik van PostNL, maar het staat eenieder vrij om gebruik te maken van een ander postbedrijf.

If it looks like a duck…

Het is helder dat digitale post niet onder terpostbezorging valt. Maar er zijn meer vormen van het ‘posten’ van stukken die niet per se betekenen dat een document ter verzending aan PostNL is aangeboden. Neem bijvoorbeeld de print- en verzenddienst van PostNL. Dat houdt in dat PostNL per e-mail aangeleverde stukken print, in een envelop doet, frankeert en bezorgt. Volgens de Hoge Raad[10] staat gebruikmaking van die dienst niet gelijk aan verzending. Uiteraard kan die dienst ertoe leiden dat het document is verzonden, maar bij betwisting moet dat achteraf wel uit stukken zijn af te leiden. Daartoe is niet voldoende dat een medewerker van de print- en verzenddienst per e-mail laat weten dat de print en verzendservice in het algemeen leidt tot verwerking van de poststukken in het sorteercentrum. Dat zegt immers niets over een specifiek poststuk.

Ook het afgeven van een beschikking aan de interne postkamer staat volgens de Hoge Raad niet gelijk aan verzending daarvan.[11] Want of de beschikking die dag dan daadwerkelijk met de post wordt verzonden, staat in dat geval helemaal niet vast. Sterker nog, in de praktijk zien wij juist dat de interne post bij de fiscus niet gelijk valt te stellen met het aanbieden van de post aan PostNL. Tussen ontvangst van een brief per post die ook per e-mail is toegezonden zit vaak enkele dagen.

Wanneer een belastingplichtige betwist een beschikking te hebben ontvangen, probeert de inspecteur de verzending meestal te bewijzen door het overleggen van verzendrapportages. Uit een verzendrapportage kan bijvoorbeeld blijken dat een bepaalde batch beschikkingen op dag X zijn verzonden. Wanneer uit de onderliggende stukken van die rapportage echter niet blijkt dat die ene beschikking daadwerkelijk ter verzending aan PostNL is aangeboden, dan meent de Hoge Raad dat de terpostbezorging niet uit die rapportage kan worden afgeleid.[12]

Aangetekend dan maar?

Een poststuk aangetekend verzenden biedt uiteraard meer zekerheid voor beide partijen. In beginsel wordt elke move van het poststuk dan vastgelegd. Daarmee zal beter kunnen worden aangetoond dat een stuk ter postbezorging aan PostNL is aangeboden. Maar er moet worden gewaakt voor al te gemakkelijke conclusies, waarbij een aangetekend verzonden stuk per definitie als ontvangen wordt beschouwd. Uiteindelijk blijft terpostbezorging mensenwerk en daar kunnen fouten in sluipen. Ook een aangetekend poststuk kan kwijtraken, doordat het bijvoorbeeld in een enveloppe met het verkeerde track&trace-nummer is verzonden, of omdat de postbode uiteindelijk niet goed bezorgt.

Goede verzenddocumentatie  

Het bewijs van de terpostbezorging luistert nauw. Een zorgvuldige documentatie van de verzending is noodzakelijk. De wijze waarop de Belastingdienst dat bewijs pleegt te leveren is niet altijd toereikend. Een verzendrapportage ziet er als zodanig indrukwekkend uit, en doet vermoeden dat een stuk is verzonden. Toch kleeft er ook aan die verzendrapportages nogal eens een gebrek, en kan er soms niet aan worden afgeleid dat een specifiek stuk is verzonden. Dat vereist een kritisch oog.

 

 


[1] Toekomstige ontwikkeling van de Nederlandse postsector, Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 29 502, nr. 135.

[2] Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930.

[3] Daaronder zij steeds begrepen de aanslag, alsook andere beschikkingen, zoals een boetebeschikking of een uitspraak op bezwaar etc.

[4] Hoge Raad 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:202, conform HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930, Volgens de wet geldt de dagtekening van het aanslagbiljet als de datum waarop de belastingaanslag is vastgesteld. Maar als het aanslagbiljet bekend wordt gemaakt de dagtekening, dan geldt de datum van bekendmaking als de ‘dagtekening’ van het aanslagbiljet, mits de bekendmaking op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.

[5] Op overschrijding van de termijn voor het opleggen van een belastingaanslag moet een beroep worden gedaan. De termijn voor het opleggen van een boete eindigt van rechtswege. De rechter dient die termijn ambtshalte te onderzoken. Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9685 en 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7637.

[6] Hoge Raad 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:674.

[7] Artikelen 8 IW 1990 en 3:41 Awb.

[8] Artikel 6:9 Awb.

[9] Hoge Raad 8 juli 1996, nr. 31 228, ECLI:NL:HR:1996:ZC6350.

[10] Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1609.

[11] Hoge Raad 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:202.

[12] Hoge Raad 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:674.