Skip to content

#170 Pleitbaar standpunt en feitelijkheden

16 juni 2020

Het leerstuk van het pleitbare standpunt is weerbarstig, en vooral in het (fiscale) strafrecht moeilijk inpasbaar gebleken. In het Credit Suisse arrest heeft de Hoge Raad (belastingkamer) een aantal rechtsregels gegeven, waarmee (o.a.) het begrip pleitbaar standpunt (nader) is gedefinieerd. Bij een onjuiste aangifte kan geen vergrijpboete worden opgelegd, als aan de aangifte een standpunt ten grondslag ligt dat gebaseerd kan worden op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht, zo luidde het oordeel[1]. Recent nam AG Niessen een conclusie, die stelde dat (…) “een pleitbaar standpunt alleen betrekking kan hebben op de interpretatie van het (belasting)recht, waaronder mede begrepen de kwalificatie van de feiten in het licht van het (belasting)recht (…).” En ook, dat de waarde van (certificaten van) aandelen een feitelijke kwestie is en dat een stellingname daarover geen pleitbaar standpunt kan opleveren[2]. Op dat laatste is in de literatuur kritisch gereageerd.

Rechtskundige duiding van feiten

De Hoge Raad heeft recent verduidelijkt dat van een pleitbaar standpunt uitsluitend kan worden gesproken “indien het een standpunt over de interpretatie van het (fiscale) recht betreft, dus om een – geheel of gedeeltelijk – rechtskundig standpunt. Daaronder is mede te begrijpen de rechtskundige duiding van de feiten.”[3]

Volgt de Hoge Raad AG Niessen?

Het lijkt erop dat de Hoge Raad daarmee de lijn van de AG volgt. Tussen de kwalificatie van de feiten in het licht van het (belasting)recht, en de rechtskundige duiding van de feiten, lijkt weinig licht te kunnen schijnen. In het oordeel van de Hoge Raad is niet terug te lezen dat de waardering van aandelen een feitelijke kwestie is, die geen pleitbaar standpunt kan opleveren, zoals de AG had gesteld. De Hoge Raad overweegt dat het oordeel van de Rechtbank niet van rechtskundige aard was aangezien daaraan uitsluitend feitelijke vaststellingen over de waarde ten grondslag lagen en een waardering van het bewijs. Zou, met andere woorden, de kwestie van de waardering gedeeltelijk mede op de kwalificatie van de feiten betrekking hebben gehad, dan zou het oordeel van de Hoge Raad mogelijk anders hebben geluid.

Zie hierover ook een ouder arrest van de Hoge Raad, waarin aan het verwijzingshof opdracht was gegeven of een door de belanghebbende ingenomen standpunt over de waarde van een woning “(…) in die mate verdedigbaar was dat hij redelijkerwijs kon menen juist te handelen (…).”[4].

De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat een feitelijke kwestie nog steeds een pleitbaar standpunt kan opleveren. Het moet dan wel gaan om de interpretatie van de feiten of de rechtskundige duiding daarvan. En niet, uitsluitend om de vaststelling van de feiten, of de waardering van het bewijs ter zake.

Inhoudelijk gelijk bij Rechtbank = pleitbaar standpunt

Het arrest van 29 mei 2020 is ook in een ander opzicht van belang. De Hoge Raad overweegt expliciet dat een oordeel van de Rechtbank, waarmee de belastingplichtige (geheel of gedeeltelijk) op rechtskundige gronden in het gelijk is gesteld, in (een) volgende instantie een pleitbaar standpunt oplevert. Althans, dat het ervoor moet worden gehouden dat de belastingplichtige een pleitbaar standpunt innam. Dus geen omkering en verzwaring van de bewijslast, geen boete, en, in geval van een (parallelle) strafzaak, geen bewezenverklaring van opzet. Of ook het in eerste aanleg gegeven oordeel van de strafrechter, dat (bijvoorbeeld) de verdachte geen opzet kan worden verweten, vanwege het bestaan van een pleitbaar standpunt, ertoe leidt dat ook in hoger beroep het ervoor moet worden gehouden dat de verdachte een pleitbaar standpunt heeft, lijkt in lijn met deze rechtsspraak van de Hoge Raad te kunnen worden gebracht.

It ain’t necessarily so

Intussen blijft ook gelden dat een standpunt dat naar het oordeel van de rechter niet pleitbaar is, niet per definitie leidt tot wetenschap dat de aangifte onjuist was. Die wetenschap zal in dat geval nog steeds door de inspecteur aannemelijk gemaakt dienen te worden, en (waar mogelijk) door de belanghebbende dienen te worden betwist, bij voorkeur te voorzien van een geloofwaardige verklaring.

Daarmee is het pleit nog niet beslecht.

 

 


[1] Hoge Raad 21 april 2017, nrs. 15/05357 en 15/05278, ECLI:NL:HR:2017:638, BNB 2017/162, m.nt. Albert.

[2] Conclusie AG 2 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:859.

[3] Hoge Raad 29 mei 2020, nr. 18/02266, ECLI:NL:HR:2020:970, ro 3.1.5.

[4] Hoge Raad 7 september 1988, nr. 24884, ECLI:NL:HR:1988:ZC3892, BNB 1988/319, m.nt. Van Dijck.