Skip to content

#177 Geen samenwerkingsplicht lidstaten bij dubbele btw-heffing. Ten onrechte!

03 augustus 2020

In de btw is het materiële recht tot op zekere hoogte geharmoniseerd. Er zijn tal van bepalingen in de Btw-richtlijn en nationale wetten die beogen bevoegdheidsconflicten weg te nemen en onwenselijke dubbele heffingen tussen lidstaten te voorkomen. Het formele belastingrecht, zoals de nationale naheffings- en teruggaaftermijnen, blijft echter het terrein van de individuele lidstaten. Conflicten op dit gebied worden opgelost in de rechtspraak, niet door de Uniewetgever. Recent heeft het Hof van Justitie een prejudiciële beslissing genomen in deze zaak “KrakVet Marek Batko”.[1] De uitkomst is met name van belang voor de verduidelijking van het vervoersvereiste bij de afstandsverkopenregeling, maar bevat ook belangwekkende overwegingen die zien op de samenwerkingsplicht tussen belastingautoriteiten van lidstaten bij bevoegdheidsconflicten en dubbele heffing.

Btw-plichtig in Polen volgens Polen, btw-plichtig in Hongarije volgens Hongarije…?

Het in Polen gevestigde Krakvet verkocht in Hongarije dierenproducten via haar Hongaarse website www.zoofast.hu. Nu er – kort samengevat – onzekerheid bestond over de lidstaat waarin zij btw-plichtig was, verzocht Krakvet de Poolse autoriteiten om een ruling.

In de ruling oordeelde de Poolse autoriteiten dat de plaats van de uitvoering van de handelingen zich in Polen bevond en dat Krakvet de btw in Polen moest voldoen. Ook de Hongaarse belastingautoriteiten stelden in de loop van 2012 een onderzoek in naar de activiteiten van Krakvet. In dat kader hebben de Hongaarse Belastingautoriteiten navraag gedaan bij de Poolse autoriteiten op basis van de samenwerkingsregels van de Uniewetgeving inzake belastingen. Uiteindelijk namen de Hongaarse autoriteiten het standpunt in dat Krakvet in Hongarije btw-plichtig was voor haar afstandsverkopen. In 2016 heeft de Hongaarse belastingautoriteit vastgesteld dat KrakVet een btw-verschil, een boete, vertragingsrente en een boete wegens niet-nakoming van de verplichtingen tot registratie bij de Hongaarse belastingdienst moest betalen. KrakVet ging in beroep.

De verwijzende rechter vraagt zich vervolgens af of de Hongaarse belastingdienst, gelet op het beginsel van fiscale neutraliteit en het doel van voorkoming van dubbele belasting, een ander standpunt kan innemen dan de Poolse belastingdienst. Verder moet volgens de verwijzende rechter worden gepreciseerd welke vereisten voortvloeien uit de verplichting tot samenwerking tussen de belastingautoriteiten van lidstaten.

Samenwerkingsbevoegdheid….

Het HvJ overweegt dat uit de Verordening[2], door te voorzien in een gemeenschappelijke regeling voor samenwerking tussen de lidstaten, in het bijzonder inzake uitwisseling van inlichtingen, ervoor moet helpen zorgen dat de btw juist wordt geheven. De Verordening maakt het mogelijk te voorzien in een gemeenschappelijke regeling voor samenwerking, op grond waarvan de belastingdienst van een lidstaat een verzoek kan richten tot de belastingdienst van een andere lidstaat. Dit geldt volgens het HvJ met name wanneer een dergelijk verzoek gepast of zelfs noodzakelijk kan zijn. Dit volgt uit de in de Verordening genoemde samenwerkingsplicht, die ervoor moet helpen zorgen dat de btw juist wordt geheven.

…maar toch geen echte samenwerkingsplicht?

Na deze hoopvolle uitleg nuanceert het HvJ de reikwijdte van het toepassingsgebied van de Verordening. Het HvJ stelt vast dat de Verordening enkel een administratieve samenwerking mogelijk maakt om inlichtingen uit te wisselen die voor de belastingautoriteiten van de lidstaten noodzakelijk kunnen zijn. Deze Verordening regelt volgens het HvJ dus niet de bevoegdheid van deze autoriteiten om op basis van dergelijke inlichtingen over te gaan tot de kwalificatie van de betrokken handelingen in het licht van de Btw-richtlijn. Hieruit volgt dat de Verordening niet voorziet in een verplichting voor de belastingautoriteiten van twee lidstaten om samen te werken teneinde een gemeenschappelijke oplossing voor de btw-behandeling van een transactie te vinden.

Een doekje voor het bloeden?

Wel geeft het HvJ een doekje voor het bloeden. Het HvJ preciseert – in algemene bewoordingen – dat de juiste toepassing van de Btw-richtlijn het mogelijk maakt dubbele belasting te voorkomen en de fiscale neutraliteit te waarborgen. Daarmee kunnen de doelstellingen van de Btw-richtlijn worden verwezenlijkt; het vermijden van bevoegdheidsconflicten die tot dubbele belasting en het niet-belasten van inkomsten kunnen leiden. De omstandigheid dat in een of meerdere andere lidstaten een andere aanpak dan die van de betrokken lidstaat wordt gehanteerd, kan volgens het HvJ niet leiden tot een onjuiste toepassing van de bepalingen van de richtlijn. Naar onze mening een nogal theoretische benadering, die lijkt op wensdenken.

Onder verwijzing naar Marcandi[3] overweegt het HvJ dat de rechterlijke instanties van een lidstaat waaraan een geschil is voorgelegd dat vragen opwerpt die een uitlegging van bepalingen van Unierecht verlangen en ter zake waarvan zij een beslissing moeten nemen, het HvJ om een prejudiciële beslissing kunnen of moeten verzoeken, wanneer zij vaststellen dat een handeling fiscaal verschillend wordt behandeld in een andere lidstaat. Betoogd zou kunnen worden dat deze verwijzingsplicht ook ontstaat zodra er een verschil in fiscale (Unierechtelijke) behandeling ontstaat tussen belastingautoriteiten van lidstaten als gevolg van nationale formele wetgeving. Verder laat het HvJ er geen onduidelijkheid over bestaan dat lidstaten in beginsel ertoe verplicht zijn om in strijd met het Unierecht geïnde belastingen terug te geven.[4]

HvJ: de verwijzingsplicht is de oplossing!

Het HvJ besluit door te concluderen dat de Btw-richtlijn en de Verordening zo moeten worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan, dat de belastingautoriteiten van een lidstaat eenzijdig handelingen aan een andere btw-behandeling onderwerpen, dan die op grond waarvan die handelingen reeds zijn belast in een andere lidstaat. Voor veel belastingplichtigen een weinig hoopvol einde.

Met deze prejudiciële beslissing in Krakvet laat het HvJ zien dat de lidstaten in beginsel veel vrijheid wordt geboden als het gaat om eenzijdige kwalificatie van handelingen. Als doekje voor het bloeden wordt wel benadrukt dat lidstaten in beginsel ertoe verplicht zijn om in strijd met het Unierecht geïnde belastingen terug te geven. De economische last die ten onrechte drukt op een dergelijke marktdeelnemer behoort volgens het HvJ te worden geneutraliseerd.

Het HvJ lijkt uit te gaan van de gedachte dat de Btw-richtlijn en Verordening dermate perfect zijn, dat een verschillende btw-behandeling van transacties tussen lidstaten in beginsel niet behoort voor te komen. Zowel de Btw-richtlijn als de Verordening voorzien niet in een verplichting voor de belastingautoriteiten van twee lidstaten om samen te werken en een gemeenschappelijke oplossing voor een eenduidige btw-behandeling te vinden. Lidstaten zijn ook niet gebonden aan elkaars kwalificatie van een transactie. Komt een dubbele heffing en strijd met het Unierecht toch voor, dan is een nationale rechter ter behoud van de eenheid van de uitleg van het Unierecht verplicht om prejudiciële vragen te stellen. Deze verwijzingsplicht garandeert volgens het HvJ vervolgens de eenduidige toepassing van het Unierecht. Daarmee is voor het HvJ de kous af. Het HvJ miskent dat weinig belastingplichtigen de wil, middelen en met name de tijd hebben om jarenlang door te procederen tot het HvJ.

Het zou voor de praktijk een uitkomst zijn als het HvJ de belastingautoriteiten van individuele lidstaten meer zou aansporen om bij bevoegdheidsconflicten samen te werken en in gesprek te treden. Een goed team bestaat immers uit mensen die ongevraagd samenwerken.

Wordt vervolgd.

 

 


[1] ECLI:EU:C:2020:485 nr. C-276/18.

[2] Verordening nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffen de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de btw. Zie b.v. onderdeel 7.

[3] HvJ EU 5 juli 2018 Marcandi (C-544/16, ECLI:EU:C:2018:540, punten 64 en 66).

[4] r.o. 52. “Niettemin moet worden benadrukt dat, indien zou blijken — in voorkomend geval na een prejudiciële beslissing van het Hof — dat de btw reeds ten onrechte is betaald in een lidstaat, volgens vaste rechtspraak van het Hof het recht om teruggaaf te verkrijgen van belastingen die in strijd met het Unierecht in een lidstaat zijn geïnd, het gevolg en het complement is van de rechten die de justitiabelen ontlenen aan de bepalingen van het Unierecht zoals die door het Hof zijn uitgelegd. De betrokken lidstaat is dus in beginsel ertoe verplicht om in strijd met het Unierecht geïnde belastingen terug te geven. Het verzoek om teruggaaf van ten onrechte betaalde btw valt onder het recht op terugvordering van het onverschuldigd betaalde, dat volgens vaste rechtspraak ertoe strekt de gevolgen van de onverenigbaarheid van de heffing met het recht van de Unie op te heffen door de economische last die ten onrechte heeft gedrukt op de uiteindelijke marktdeelnemer die deze heeft betaald, te neutraliseren.”