Skip to content

#179 Ook na beleidssepot recht op vergoeding advocaatkosten!

17 augustus 2020

Niet ieder strafrechtelijk onderzoek mondt uit in strafzitting. Daar zijn veelal ook goede redenen voor aan te wijzen. Als de officier van justitie besluit een zaak niet (verder) te vervolgen, wordt de zaak geseponeerd. Een sepotbeslissing komt zelden uit de lucht vallen. Bovendien zijn voorafgaand aan een sepot onderzoekshandelingen verricht, bijvoorbeeld het verhoren van de verdachte. Het is ten zeerste aan te raden ook in een dergelijk vroegtijdig stadium een advocaat in de arm te nemen en veel verdachten doen dat dan ook. Aan het inschakelen van deskundige rechtsbijstand zijn kosten verbonden. Als de zaak wordt geseponeerd, kan een vergoeding van de advocaatkosten worden gevraagd door het indienen van een verzoekschrift. Op 20 juli van dit jaar heeft Rechtbank Amsterdam zich uitgelaten over een verzoekschrift in een strafzaak die werd overgedragen aan Belastingdienst voor bestuursrechtelijke afdoening. De rechtbank wees het verzoek om vergoeding van de advocaatkosten af. Wij betwijfelen, in het licht van de onschuldpresumptie en recente jurisprudentie, of deze afwijzing terecht is.

Vergoeding op basis van billijkheid

Als een strafzaak is geëindigd zonder dat een straf of maatregel is opgelegd en zonder toepassing van het rechterlijk pardon (artikel 9a Sr), kan op grond van artikel 530 Sv een vergoeding worden gevraagd voor gemaakte kosten. Eén van deze kostenposten zijn de kosten van een advocaat. Verdachten moeten immers vrij zijn een advocaat naar hun eigen keuze in te schakelen.[1]

Advocaatkosten worden niet zonder meer (integraal) vergoed. De rechter beoordeelt of gronden van billijkheid aanwezig zijn om de kosten te vergoeden (artikel 534, eerste lid, Sv). Bij de beoordeling of een vergoeding billijk is, worden alle omstandigheden van het geval in ogenschouw genomen.[2] Eén van die omstandigheden is de reden waarom de zaak is geëindigd. Er wordt waarde gehecht aan het verschil tussen bijvoorbeeld een vrijspraak en een technisch sepot enerzijds en een beleidssepot anderzijds. Bij een verzoek om kostenvergoeding kan namelijk rekening worden gehouden met de vraag in hoeverre de verdachte de gemaakte kosten aan zichzelf te wijten heeft.[3] In geval van een beleidssepot is de reden van niet (verder) vervolgen niet gelegen in gebrek aan bewijs, maar zijn er voor het Openbaar Ministerie andere (opportuniteits)redenen om de zaak te seponeren.

Over de vraag op welke wijze de billijkheidstoets moet worden ingevuld, variëren rechters (sterk) van mening. Zo werd bijvoorbeeld bezien of “het zonder meer een bewijsbare zaak” betrof,[4] of werd getoetst of de “kans aanmerkelijk te achten” was dat geen straf of maatregel zou zijn opgelegd.[5]

Recent lijkt daar verandering in te komen. Het Hof Arnhem-Leeuwarden hanteert sinds de beschikking van 14 augustus 2019 een andere maatstaf.[6] Beoordeeld wordt of de zaak onmiskenbaar tot een veroordeling zou hebben geleid. (Enkel) in dat geval is het toekennen van een vergoeding van advocaatkosten niet billijk. Dit criterium wordt ook overgenomen door rechtbanken.[7]

Bewijsbaarheid van de zaak als maatstaf?

Overigens kunnen vraagtekens worden gezet bij het betrekken van de bewijsbaarheid van de zaak in de beoordeling van een verzoek op grond van artikel 530 Sv. Immers laat de rechtbank zich op deze wijze uit over de schuld van de gewezen verdachte. Op grond van de onschuldpresumptie, zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, EVRM, dienen niet-veroordeelden voor onschuldig te worden gehouden en ook als zodanig te worden behandeld.

Artikel 6 EVRM zelf geeft geen recht geeft op vergoeding van kosten voor rechtsbijstand. Ook het afwijzen van een verzoek, gebaseerd op nationale wetgeving, is niet zonder meer in strijd met het recht op een eerlijk proces.[8] Wel kan de wijze waarop de weigering van een kostenvergoeding is gemotiveerd een schending van de onschuldpresumptie opleveren.

Op grond van rechtspraak van het EHRM mag acht worden geslagen op de medeverantwoordelijkheid van de gewezen verdachte en de vraag in hoeverre het strafrechtelijk onderzoek aan zichzelf te wijten is.[9] Deze factor wordt door de Hoge Raad ook als zodanig benoemd als een van de omstandigheden waar rekening mee kan worden gehouden. Tevens mag de rechter overwegen dat de feiten en omstandigheden destijds aanleiding gaven tot een strafrechtelijk onderzoek.[10] Wat niet mag worden meegewogen, is enige verdenking dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan de strafbare feiten.[11]

Hoewel de toets of de zaak onmiskenbaar tot een veroordeling zou hebben geleid, gunstiger is dan de maatstaf die in het verleden werd aangelegd, blijft het een uitlating over de schuld van de verdachte. En dat is nu juist waartegen de onschuldpresumptie bescherming biedt. Het Hof Amsterdam heeft zich in een beschikking van 19 januari 2018 uitgelaten over het criterium dat de zaak onmiskenbaar tot een veroordeling zou hebben geleid.[12] Het hof oordeelde dat de afwijzing, op grond van deze motivering, niet in lijn is met de jurisprudentie van het EHRM betreffende de onschuldpresumptie.

Sepot vanwege fiscale afdoening

Op 20 juli 2020 heeft Rechtbank Amsterdam geoordeeld over een verzoek om vergoeding van advocaatkosten die waren gemaakt in een strafrechtelijk onderzoek dat uiteindelijk werd geseponeerd vanwege de overdracht van de zaak aan de Belastingdienst. Het strafrechtelijk onderzoek richtte zich in eerste instantie op de verdenking van witwassen. De betrokkene had geldbedragen in bezit die afkomstig zouden zijn uit een misdrijf. In dat kader werd de betrokkene als verdachte verhoord. Uiteindelijk bleken de gelden een legale herkomst te hebben, zodat de verdenking van witwassen wegviel. Wel werd duidelijk dat de inkomsten niet bij de Belastingdienst waren opgegeven, waardoor een verdenking ontstond wegens het opzettelijk doen van een onjuiste belastingaangifte. In overleg met de FIOD werd de zaak vanwege efficiëntieredenen overgedragen aan de Belastingdienst, zodat de zaak met een bestuurlijke boete kon worden afgedaan. Aan de betrokkene werd vervolgens medegedeeld dat het strafrechtelijk onderzoek was gesloten.  

De rechtbank diende te beoordelen of sprake was van gronden van billijkheid voor het toekennen van een vergoeding voor de advocaatkosten. De rechtbank oordeelde dat dat niet het geval was. Op grond van het dossier kwam de rechtbank namelijk tot de conclusie dat een veroordeling niet onwaarschijnlijk was geweest indien de zaak strafrechtelijk was vervolgd. In dat geval had de betrokkene geen recht op een tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand, aldus de rechtbank.

Onschuldig totdat het tegendeel is bewezen?

Door te oordelen dat het niet onwaarschijnlijk was geweest dat de betrokkene zou zijn veroordeeld als de zaak door een rechter zou zijn beoordeeld, legt de rechtbank een toets aan die niet in overeenstemming is met recente jurisprudentie van het Hof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijker is echter dat de rechtbank zich onmiskenbaar uitlaat over de schuld van de verdachte. De rechtbank beoordeelt immers de bewijsbaarheid van de zaak, door vooruit te lopen op een – hypothetisch – oordeel van een rechter in de hoofdzaak. In onze optiek is een dergelijk oordeel strijdig met de onschuldpresumptie. Dit klemt des te meer, nu de rechtbank zijn oordeel vormt op basis van een zeer rudimentair dossier, dat verre van compleet is. De zaak is immers in een vroegtijdig stadium overgedragen aan de Belastingdienst. Dat betekent dat de FIOD het opsporingsonderzoek niet heeft afgemaakt. Bovendien is de gewezen verdachte niet in staat gesteld zelf onderzoek te laten doen en andere verdedigingsrechten uit te oefenen. Door in een dergelijk geval een oordeel te vellen over de bewijsbaarheid van de zaak, door te toetsen of de rechter in de hoofdzaak tot een veroordeling zou zijn gekomen, is in onze optiek niet in overeenstemming met het beginsel dat iedere niet-veroordeelde voor onschuldig moet worden gehouden.

 

 


[1] Kamerstukken II 1961/62, nr. 6647, nr. 3 (Mvt), p. 9.

[2] HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566.

[3] HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566.

[4] Rb. Noord-Holland 23 maart 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:2231.

[5] Rb. Den Haag 31 mei 2016, NBSTRAF 2016/156.

[6] Hof Arnhem-Leeuwarden 14 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6479; Hof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2288.  

[7] Vlg. Rb. Amsterdam 13 maart 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2015; Rb Amsterdam 1 mei 2020, ECLI:NL:RBAMS:3735; Rb. Noord-Holland 8 mei 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:3371.

[8] EHRM 25 augustus 1987, nr. 9912/82 (Lutz t. Duitsland), NJ 1988/938, r.o. 59-60.

[9] EHRM 15 december 2011, nr 35730/07, (Ashendon en Jones t. het Verenigd Koninkrijk), NJ 2013/35, r.o. 49.

[10] EHRM 25 augustus 1987, nr. 9912/82 (Lutz t. Duitsland), NJ 1988/938.

[11] EHRM 25 maart 1983, nr. 8660/79 (Minelli t. Zwitserland), r.o. 37; EHRM  25 augustus 1987, nr. 9912/82 (Lutz t. Duitsland), NJ 1988/938, r.o. 59-62; EHRM 28 oktober 2003, nr. 44320/98 (Baars t. Nederland), NJ 2004/261, r.o. 31.

[12] Hof Amsterdam 19 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:462.

.