Skip to content

#180 Fiscaal kort geding vereist juiste connexiteit

24 augustus 2020

Recent heeft de rechtbank Gelderland een verzoek om een voorlopige voorziening tegen een informatieverzoek volgens artikel 47 AWR “kennelijk niet-ontvankelijk” verklaard, omdat er geen verband bestond, noch kon bestaan met een bezwaar- of beroepsprocedure. De vereiste connexiteit ontbrak dus. Een fiscaal kort geding zien we niet zo vaak. Interessant om daar ook eens bij stil te staan.

Voorlopige voorziening

Een belastingplichtige die het niet eens is met een besluit van de Belastingdienst kan daartegen in bezwaar en eventueel later in beroep gaan. Echter, met het bezwaar of beroep wordt de werking van het besluit in beginsel niet geschorst. Bijvoorbeeld, een aanslag moet ondanks ingesteld bezwaar of beroep wel “gewoon” betaald worden, of verzochte informatie moet men in beginsel toch verstrekken, etc. Voor betaling kan uitstel worden gevraagd totdat in bezwaar of beroep is beslist. Voor het aanleveren van informatie en eventuele andere besluiten kan dat niet (altijd). Om die reden kan een belastingplichtige een spoedprocedure starten en de rechter verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen. Daarvoor dient aan twee voorwaarden te zijn voldaan:

  1. Connexiteit; en
  2. Onverwijlde spoed.

Connexiteit en onverwijlde spoed

Het connexiteitsvereiste betekent dat het treffen van een voorlopige voorziening enkel mogelijk is, indien tegen het besluit waar de voorlopige voorziening voor wordt gevraagd, een bezwaar- of beroepsprocedure loopt. Het gesloten stelsel in belastingzaken beperkt daarmee het aantal kwesties waarvoor een voorlopige voorziening kan worden gevraagd. De uitspraak van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en geldt totdat in de hoofdzaak is beslist. Van ‘onverwijlde spoed’ is sprake als de afhandeling van het geschil in bezwaar of beroep niet kan worden afgewacht. Daarvan is in de regel sprake als de uitvoering van het besluit tot onomkeerbare gevolgen zou leiden. Maar er zijn ook andere redenen denkbaar. Bijvoorbeeld: het afdwingen van inzage in bepaalde stukken in een procedure, omdat belanghebbende zich adequaat moet kunnen verweren tegen het bestreden besluit.[1] 

Rechtbank Gelderland

In de zaak van rechtbank Gelderland werd verzocht om een voorlopige voorziening ten aanzien van een informatieverzoek met vragen over een trust voor de jaren 2008 tot en met 2020. De rechtbank verklaart het verzoek “kennelijk” niet-ontvankelijk, omdat de rechtbank buiten twijfel achtte dat de vereiste connexiteit ontbreekt. Voor het informatieverzoek is geen informatiebeschikking afgegeven. Er is dus geen beschikking waartegen bezwaar kon worden ingediend, zodat (formele) connexiteit ontbreekt.

Uit de jurisprudentie blijken echter ook wel gevallen waarin de rechter het connexiteitsvereiste ruimer opvat door een rekkelijke materiële connexiteitstoets te hanteren.[2] Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dan ontvankelijk geacht indien met de gevraagde voorlopige voorziening, die betrekking heeft op een in de bodemprocedure bestreden besluit, de grenzen van de bodemprocedure niet worden overschreden.

Ook in de zaak bij de rechtbank Gelderland heeft de rechter verder gekeken dan de formele connexiteit. Er lopen namelijk twee beroepsprocedures bij de rechtbank met betrekking tot navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2008 en 2011. Omdat het verzoek om de voorlopige voorziening ook op die jaren ziet, beoordeelt de voorzieningenrechter of op basis daarvan dan geen connexiteit kan worden vastgesteld. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat in die procedures de nagevorderde bedragen geen enkel verband houden met de trust waarop het informatieverzoek betrekking heeft en heeft de rechter geen concrete aanwijzing dat de gevorderde informatie zal worden gebruikt als bewijs in die lopende procedures. Derhalve oordeelt de rechter dat ook materiële connexiteit ontbreekt.

Praktijk

Wat ons betreft is het goed te zien dat rechters bereid zijn het vereiste van connexiteit ruim op te vatten. Wanneer immers uitvoering wordt gegeven aan een besluit dat tot (ernstige) onomkeerbare gevolgen kan leiden, of een belastingplichtige op andere wijze in zijn belangen wordt geschaad, is de voorlopige voorziening, soms, de enige uitweg om dat te voorkomen.

In dit geval kon de ruimere toets de verzoeker echter ook niet baten. Hij was te vroeg met zijn verzoek. Net als in vele aspecten van het leven is timing everything. In de procespraktijk is te laat komen vaak fataal. Maar voor het bereiken van het gewenste resultaat moet men ook durven het juiste moment af te wachten alvorens over te gaan tot actie.

 

 


[1] Bijvoorbeeld: Hof 's-Hertogenbosch 19 april 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AP0827 of Rechtbank Noord-Holland 16 januari 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:2196.

[2] Bijvoorbeeld: Rechtbank Breda 11 oktober 2005, NTFR 2006/159; Hof Leeuwarden 21 juni 2002, ECLI:NL:GHLEE:2002:AE4668; of Hof Amsterdam 12 december 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AD7866.