Skip to content

#185 Fiscale rechter oordeelt: kans op vrijspraak 90 procent!

28 september 2020

In fraudezaken wordt vaak conservatoir beslag gelegd op vermogen om de betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel zeker te stellen. Dit beslag kan, net zoals het strafrechtelijk onderzoek, jaren duren. De samenloop van fiscaliteit en ontneming leidt vaak tot onredelijke uitkomsten voor fiscale correcties op het inkomen of de omzet, omdat de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel pas bij betaling in aanmerking mag worden genomen. Dat kan anders zijn bij de belastingheffing over het vermogen in box 3. Rechtbank Noord-Nederland oordeelde onlangs over de vraag of een ontnemingsvordering van de officier van justitie meegenomen kan worden bij de berekening van het box 3 vermogen.

Waarde in het economisch verkeer

In box 3 wordt belasting geheven over het veronderstelde inkomen uit vermogen van een belastingplichtige. De grondslag voor dit inkomen vormt het forfaitaire voordeel uit sparen of beleggen (artikel 5.1. Wet IB 2001). De waarde wordt vastgesteld aan de hand van bezittingen minus schulden op 1 januari van het jaar waarover belasting wordt geheven. Het gaat daarbij dan om de waarde in het economisch verkeer (artikel 5.19 Wet IB 2001). De waarde van bezittingen en schulden in het economisch verkeer is niet altijd eenvoudig te duiden. Het beslag op een bankrekening door de officier van justitie in verband met een ontnemingsvordering heeft twee aspecten die relevant zijn voor de waardering van het vermogen. Er is ten eerste beslag gelegd op de bankrekening (bezitting) en daarnaast is er een vordering (schuld). Hierna zal worden besproken in hoeverre deze aspecten gevolgen hebben voor de waardering van het vermogen in box 3.

Conservatoir beslag

Allereerst is er conservatoir beslag gelegd op de bankrekening. De belastingplichtige kan niet meer vrijelijk over dit vermogen beschikken. Het is derhalve de vraag of en zo ja welke gevolgen dit heeft voor de waardering van het saldo op de bankrekening. Het effect van conservatoir beslag op vermogen lijkt in dit verband weinig soelaas te bieden. Daaraan wordt in het algemeen geen waardedrukkend effect toegekend. Volgens vaste rechtspraak heeft de waarde van een beslagen banktegoed objectief gezien dezelfde waarde als ieder ander banktegoed. De beperking in de gebruikswaarde van de belastingplichtige is subjectief en is derhalve niet bepalend voor de waarde van het tegoed op de bankrekening.[1]

Ontnemingsvordering

Daarnaast is er een ontnemingsvordering gesteld door de officier van justitie. Deze vordering wordt vastgesteld bij aanvang van een strafrechtelijk (financieel) onderzoek en voorgelegd aan de rechter-commissaris, die een machtiging verleent om voor dat bedrag conservatoir beslag te leggen. Het proces om tot een uiteindelijke veroordeling of vrijspraak te komen neemt vaak vele jaren in beslag. Dat neemt niet weg dat de initiële vordering kan worden meegenomen als schuld in box 3, maar de waardering daarvan is afhankelijk van de kans dat de schuld moet worden voldaan. Dat stelt de belastingplichtige eigenlijk voor een kafkaiaans dilemma. Hij heeft er immers baat bij om de kans voor fiscale doeleinden zo hoog mogelijk aannemelijk te maken, maar zal in het kader van het strafproces vaak menen dat die kans uiterst klein is. Niettemin ligt de bewijslast hiervoor bij de belastingplichtige.

In de procedure bij de Rechtbank Noord-Nederland heeft de belastingplichtige gesteld dat de schuld voor 90 procent zou moeten worden meegenomen, aangezien statistische gegevens uitwijzen dat slechts in 10 procent van de door het Openbaar Ministerie aangebrachte strafzaken een vrijspraak volgt. De inspecteur heeft het Openbaar Ministerie kort voor de fiscale zitting gevraagd om de huidige stand van zaken in het strafrechtelijk onderzoek te duiden. Uit de reactie komt vrij stellig naar voren dat het Openbaar Ministerie van mening is dat de zaak dient voor te komen. De inspecteur stelt zich echter op het standpunt dat geen rekening dient te worden gehouden met de ontnemingsvordering. De rechtbank geeft de belastingplichtige gelijk en oordeelt dat aannemelijk is gemaakt dat er door de ontnemingsvordering een verplichting was met een waarde in het economisch verkeer. Zij volgt de belastingplichtige niet in de waardering, omdat de zaak tegen de belastingplichtige nog niet is aangebracht en het zelfs nog onduidelijk is óf de zaak wordt aangebracht. De rechtbank stelt de waarde vervolgens vast op ‘slechts’ 10 procent.

Wij zijn benieuwd of het Openbaar Ministerie de overweging van deze fiscale rechter ter harte neemt: “De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat er, mede gezien het tijdsverloop, grote onzekerheid bestaat omtrent de vragen of eiser iets ten laste zal worden gelegd, wat eiser eventueel ten laste zal worden gelegd en voor welke bedragen eiser eventueel iets ten laste zal worden gelegd. In geval van vervolging is bovendien onzeker of eiser zal worden veroordeeld en ter zake waarvan.” Dat is 90 procent kans op vrijspraak dus!?

 


[1] HR 14 november 2008, BNB 2009/5, Hof Den Haag 12 december 2017, VN 2018/18.1.3 (en V-N 2018/51.7).