Skip to content

#189 De grenzen van de onschuld

26 oktober 2020

De onschuldpresumptie houdt in dat een verdachte voor onschuldig wordt gehouden tot het tegendeel bewezen is én dat over de vrijspraak van een verdachte geen twijfel mag worden gezaaid. De praktijk kan voor verdachten heel anders uitpakken. Steeds weer worden zij bijvoorbeeld geconfronteerd met vragen rondom dat strafrechtelijk oordeel, zoals door de belastingrechter, door banken en financiers, door accountants en adviseurs. En zelfs nadat een vrijspraak is gevolgd door de rechter in een kostenvergoedingsprocedure. Dat een vrijspraak zou inhouden dat de gewezen verdachte nu toch echt voor onschuldig moet worden gehouden, blijkt in de praktijk dus niet altijd het geval.

Een onherroepelijke vrijspraak van de strafrechter kan binnen de kaders van de verschillende bewijsstelsels worden omzeild. De krappe ruimte die daarvoor bestaat, wordt door de Belastingdienst dankbaar benut. Daarbij wordt echter niet altijd binnen de grenzen van de onschuldpresumptie gebleven. Zo blijkt ook uit een recent arrest van de Belastingkamer van Hof Den Bosch[1], die oordeelde dat een vrijspraak voor witwassen in een strafzaak niet aan navordering over de betreffende inkomsten in de weg stond.

Strafrechtelijk onderzoek in RIEC-verband

Belanghebbende en zijn echtgenote waren betrokken geweest in een strafrechtelijk onderzoek. Dat ging in eerste instantie om wiethandel, waarvoor geen aanwijzingen werden gevonden en die ook niet in de tenlastelegging werd betrokken. Wel volgde uit het strafrechtelijk onderzoek dat contante stortingen hadden plaatsgevonden en als gevolg daarvan werden belanghebbenden vervolgd wegens witwassen.

Opmerkelijk is al dat in deze zaak sprake is van interdisciplinaire aanpak van belanghebbende. De zaak was door de belastinginspecteur aangemeld bij het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC), toen overigens reeds een strafrechtelijk onderzoek liep. Wij maken daaruit op dat de Belastingdienst via deze band (nauw) betrokken is geweest bij het strafrechtelijk onderzoek. De ervaring leert (helaas) dat bij een dergelijk onderzoek betrokken inspecteurs nog weinig onbevangen in de fiscaliteit staan.

Door de politie is een rapport met de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel opgesteld ten behoeve van een ontneming. Deze berekening lijkt te zijn gemaakt door middel van een kapopstelling. Daarbij is een analyse gemaakt van de gedane contante bankstortingen en de uitgaven van het gezin, Het wederrechtelijk verkregen voordeel over een periode van 5,5 jaar is door de politie berekend op € 192.917.

Wat zei de strafrechter?

De strafzaak draaide om de herkomst van de contante stortingen. De strafrechter[2] oordeelde in 2018 dat niet was komen vast te staan dat de contante gelden afkomstig waren uit enig misdrijf. Weliswaar was uit het onderzoek gebleken dat sprake was van contante stortingen op de eigen rekeningen en de rekeningen van de kinderen, maar in een uitgebreide zienswijze was een verklaring gegeven voor de herkomst van de bedragen. Naar het oordeel van de rechtbank was daarmee voor een deel van de geldbedragen ‘een concrete, min of meer verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring’ gegeven. Daarmee was dus niet bij voorbaat komen vast te staan dat sprake was van witwassen.

Slechts voor een deel van de geldbedragen was de herkomst niet verklaard, maar voor een criminele herkomst bestonden onvoldoende aanwijzingen. De strafrechter komt dan ook tot een duidelijke vrijspraak.

Fiscale omweg

De materie waar de belastingrechter zich over moet buigen is feitelijk gezien precies hetzelfde als in de strafzaak. Het gaat immers nog steeds om de contante stortingen op de bankrekeningen en de vraag wat hiervan de herkomst is.

Een verdenking van witwassen en een navordering over veronderstelde inkomsten zijn natuurlijk niet hetzelfde. Bovendien is strafrechtelijk en fiscaal gezien sprake van verschillende bewijsstelsels. Een vrijspraak voor witwassen betekent niet dat de betreffende bedragen niet uit een  inkomstenbron afkomstig kunnen zijn en dus alsnog belast moeten worden. Tot zover kunnen wij de uitspraak volgen. Maar de strafrechter had nu juist geoordeeld dat ten aanzien van een deel van de stortingen wel degelijk de herkomst van de bedragen was gegeven, zoals giften en (hobby)verkoopopbrengsten. Met die herkomst zouden de bedragen (in elk geval deels) niet tot inkomstenheffing leiden. Waarom komt de fiscale rechter dan wel tot inkomstenheffing over de volledige bedragen?

Niet geheel toevallig waren de navorderingsaanslagen door de Belastingdienst precies conform de strafrechtelijke ontnemingsrapportage opgelegd. Sterker nog, de ontnemingsrapportage wordt gezien als het vereiste nieuwe feit voor navordering die de tweede (!) tranche aan navorderingsaanslagen rechtvaardigt. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen gecorrigeerd naar aanleiding van de ‘uitkomsten van het strafrechtelijk onderzoek’ waarbij hij zich op het ontnemingsrapport heeft gebaseerd voor het gehele bedrag. Deze formele drempel wordt dus genomen onder verwijzing naar het strafrechtelijk onderzoek. Voor de overige formele drempels geldt hetzelfde. In een uitgebreide overweging over de verklaringen van belanghebbende over de contante stortingen, overweegt het Hof dat deze niet geloofwaardig zijn. Dit leidt tot de slotsom dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende te kwader trouw was bij het indienen van zijn aangifte. Vervolgens komt het Hof ook tot omkering en verzwaring van de bewijslast onder verwijzing naar diezelfde overwegingen omtrent de geloofwaardigheid van belanghebbendes verklaringen.

Wat betreft de correcties wordt vervolgens volledig gesteund op de inhoud van het ontnemingsrapport. Het Hof overweegt: ‘In dit geval heeft de rechtbank Limburg geoordeeld dat belanghebbende niet de herkomst van alle geldbedragen heeft kunnen verklaren, maar dat niet is komen vast te staan dat het geld uit criminele bron afkomstig is. Dit oordeel sluit niet uit dat de geldbedragen afkomstig zijn van een onbekende inkomstenbron die belanghebbende ten onrechte niet in zijn aangiften inkomstenbelasting heeft opgegeven’. Die overweging is correct en geeft de ruimte weer die in de fiscale procedure bestaat.

Maar nadere lezing van dit arrest leert dat voor de bepaling van de inkomstenbelasting volledig wordt gesteund op de inhoud van het strafdossier en de daarin opgenomen berekeningen. Daarbij wordt voorbijgegaan aan de verklaringen die door de verdachte zijn gegeven in de strafzaak. In de fiscale procedure worden die verklaringen beoordeeld als ongeloofwaardig. Dit terwijl die verklaringen kennelijk wel van invloed zijn geweest op het oordeel over de herkomst van stortingen. Volgens de strafrechter is immers slechts een deel van de stortingen onverklaarbaar gebleven. De fiscale rechter laat echter alle correcties in stand, ook die waarvan de strafrechter geoordeeld heeft dat de herkomst is verklaard.

Alsnog gepakt

Wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat de belastingrechter hier de strafzaak dunnetjes heeft overgedaan. Dit keer niet in de context van een witwasverdenking, maar in de context van inkomstenheffing ten aanzien van contante stortingen. Daarbij lijkt het Hof toch echt te ver te gaan wat betreft het oordeel over de herkomst van die stortingen, nu de strafrechter al had geaccepteerd dat het ging om giften en (hobby)inkomsten. Belastingheffing is immers niet bedoeld om een verloren strafzaak goed te maken.


 

[1] ECLI:NL:GHSHE:2020:3090

[2] ECLI:NL:RBLIM:2018:2654 en ECLI:NL:RBLIM:2018:2655