Skip to content

#193 1 + 1 = 3?

24 november 2020

Dat het strafrecht en het fiscale recht onrechtvaardig op elkaar uit kunnen werken wordt duidelijk in een recent arrest van de strafkamer van het hof Den Bosch.[1] In dit arrest is geoordeeld dat de betaalde belasting niet in mindering kan worden gebracht op de ontnemingsvordering in de strafprocedure. Dat is zuur voor de verdachte, want dit betekent dat zowel in de fiscale procedure als in de strafprocedure het verkregen voordeel van de verdachte wordt afgepakt. De verdachte betaalt dan dus eigenlijk dubbel over zijn wederrechtelijk verkregen voordeel: één keer belasting bij de fiscus en één keer aan de staat bij de ontnemingsvordering. Dit is een probleem waar meerdere verdachten tegenaan (zullen en blijven) lopen, want het hof oordeelt dat het aan de wetgever is om deze regelgeving aan te passen.

Wat hieraan voorafging

Aan dit arrest van het hof Den Bosch gaat een arrest van de Hoge Raad vooraf. De Hoge Raad oordeelde op 14 maart 2017[2] dat de rechter bij de bepaling van de ontnemingsvordering geen rekening dient te houden met de betaalde belasting over het wederrechtelijk verkregen voordeel. Andersom dient het fiscale mechanisme wel rekening te houden met de ontnemingsvordering en dient de belastingheffing ongedaan te worden gemaakt voor zover het voordeel in de strafprocedure wordt ontnomen. In essentie zou er zo een evenwichtig systeem bestaan, waarbij het fiscale recht rekening houdt met het strafrecht. De Hoge Raad put hiervoor uit zijn eigen jurisprudentie (uit 1998!) en de parlementaire geschiedenis. De trias politica voorkomt hier dus dat de rechtsprekende macht zich gaat bemoeien met de wetgevende macht.

De Hoge Raad wijst de zaak vervolgens terug naar het hof Den Bosch, hetgeen leidt tot het arrest van 29 oktober jl.

De onrechtvaardigheid in de praktijk

Bij het hof Den Bosch bepleit de advocaat van de verdachte (opnieuw) dat de inkomsten die hebben geleid tot de ontnemingsvordering in de strafprocedure reeds in de belastingheffing zijn betrokken en dus op de ontnemingsvordering in mindering moet worden gebracht. Als dat niet gebeurt, dan wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel in feite ‘dubbel’ ontnomen, zowel langs strafrechtelijke als fiscaalrechtelijke weg.

Dat het niet de bedoeling van de wetgever is dat een verdachte dubbel moet betalen over hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel, blijkt uit de “Aanwijzing afpakken”. Het is juist de bedoeling dat het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst samenwerken, om onder andere cumulatie van sancties te voorkomen. Maar vervolgens maakt het hof een draai en wordt ook hier teruggegrepen op het arrest van de Hoge Raad uit 1998 en de parlementaire geschiedenis, waaruit naar voren komt dat bij de ontnemingsvordering geen rekening wordt gehouden met de betaalde belasting. Het hof heeft begrip voor de situatie waarvoor de verdachte zich gesteld ziet, maar acht zich niet bevoegd om in strijd met de geldende regelgeving hiervan af te wijken. Het is uitsluitend aan de wetgever om deze in de praktijk onbedoelde dubbeltelling weg te halen door de wetgeving aan te passen.

Een doekje voor het bloeden

Het hof overweegt wel nog dat een verzoek tot matiging van de ontnemingsvordering kan worden gedaan op grond van artikel 6:6:26 Sv. Op die manier kan alsnog worden bewerkstelligd dat door de verdachte niet tweemaal hoeft te worden betaald over hetzelfde voordeel. In dit specifieke geval heeft het Openbaar Ministerie op de zitting toegezegd zich ‘niet onwelwillend’ op te stellen ten aanzien van zo’n matigingsverzoek in verband met de betaalde belasting. Het is natuurlijk te prijzen dat het Openbaar Ministerie zich zo opstelt, maar een verdachte is dan nog steeds aan de welwillendheid van het Openbaar Ministerie overgeleverd. Belangrijker nog is dat de verdachte al die tijd in onzekerheid blijft verkeren, terwijl executie van die ontnemingsvordering boven zijn hoofd blijft hangen.

Tijd voor actie

Het dubbel betalen van i) belasting over het wederrechtelijk verkregen voordeel en het ii) het executeren van de volledige ontnemingsvordering ten aanzien van datzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel, vertoont veel kenmerken van een dubbele bestraffing. Dat is nu juist in strijd met artikel 6 EVRM. Daar komt bij dat het arrest van de Hoge Raad uit 1998 gedateerd is en niet meer goed lijkt aan te sluiten bij de huidige behandeling van financieel-economische strafzaken. In de samenstelling van de strafkamers van rechtbanken en hoven wordt namelijk steeds vaker een rechter uit de belastingkamer betrokken. Ook kunnen nu afspraken worden gemaakt met het Openbaar Ministerie over de hiervoor genoemde samenloop. Het is dan wel belangrijk dat zowel in de strafprocedure als de fiscale procedure hierop tijdig wordt geanticipeerd.

Het is tijd dat de wetgever gaat ingrijpen en deze lacune in de huidige praktijk verhelpt: de betaalde belasting over hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel moet in mindering kunnen worden gebracht op ontnemingsvorderingen.


[1] Hof Den Bosch 29 oktober 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3367.
[2] HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:429.