Skip to content

#196 De fiscale informatieplicht: it’s over when it’s over

14 december 2020

In de praktijk zien we steeds meer woon- en vestigingsplaatsonderzoeken in de strijd tegen belastingontwijking. De centrale vraag betreft dan of de persoon/entiteit in kwestie als binnenlands belastingplichtige kan worden gekwalificeerd en daarmee in de Nederlandse heffing kan worden betrokken. Een vestigingsplaatsonderzoek start vaak met een vragenbrief van de inspecteur. Evenals bij andere controles en onderzoeken, ontstaat ook dan geregeld discussie over de (reikwijdte van de) fiscale informatieplicht.

In de zaken die hebben geleid tot de beslissingen van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 november 2020[1] ging het om Curaçaose vennootschappen die in juli 2015 waren ontbonden en direct waren opgehouden te bestaan. In februari 2016 heeft de inspecteur per brief aan de voormalig vereffenaar / de bewaarder van de boeken en bescheiden zijn vermoeden kenbaar gemaakt dat de vennootschappen in Nederland belastingplichtig waren. In die brief heeft de inspecteur ook informatie opgevraagd van de vennootschappen. Na de nodige correspondentie in verband met informatieverzoeken heeft de inspecteur in oktober 2016 aanslagen opgelegd voor de vennootschapsbelasting, omzetbelasting, kansspelbelasting en dividendbelasting. Daarop volgde een bezwaarprocedure – waarop geen uitspraak werd gedaan – en in februari 2017 volgde voor alle belastingaanslagen een informatiebeschikking.

Ontvankelijkheid

De vennootschappen in kwestie waren direct opgehouden te bestaan bij gebrek aan baten, waardoor de informatiebeschikkingen in februari 2017 waren gegeven ten aanzien van een niet meer bestaande rechtspersoon. Als gevolg daarvan konden de informatiebeschikkingen in feite enkel rechtsgeldig bekend worden gemaakt als en nadat de vereffening zou zijn heropend.[2] Dat was niet gebeurd. Dat stond er volgens de inspecteur echter niet aan in de weg dat de informatiebeschikkingen tot stand waren gekomen en dat deze konden worden gehandhaafd. Niettemin vond de inspecteur het volstrekt normaal om vervolgens het namens de vennootschappen gemaakte bezwaar tegen de informatiebeschikkingen niet-ontvankelijk te verklaren omdat de bezwaartermijn nog niet zou zijn aangevangen. Formeel gezien gaat de bezwaartermijn pas lopen nadat de informatiebeschikking rechtsgeldig bekend is gemaakt. In geval van een niet-bestaande vennootschap, moet daartoe eerst de vereffening worden heropend. Dat was niet gebeurd en dus was van een rechtsgeldige bekendmaking geen sprake geweest.

In navolging van de rechtbank maakte het Hof gelukkig korte metten met dit opportunistische gedrag van de inspecteur. Het Hof oordeelde dat, in navolging van de Hoge Raad in zijn arrest van 19 september 2003[3], het bezwaar tegen de informatiebeschikkingen als een prematuur bezwaarschrift kon worden aangemerkt. Op grond van 6:10 Awb diende het daarom niet niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift waren de informatiebeschikkingen immers wel al tot stand gekomen.

Informatieplicht bij niet-bestaande vennootschap?

Vervolgens kwam uiteraard de vraag op: wat is in dit geval dan de status van deze ten aanzien van de vennootschap gegeven, maar nog niet bekendgemaakte informatiebeschikkingen?

Het Hof gaat daar handig mee om en beoordeelt of de niet-bestaande vennootschap überhaupt verzuimd had om aan haar informatieverplichtingen te voldoen. Ten tijde van de verzoeken om inlichtingen (voor het eerst bij brief van februari 2016) waren de vennootschappen al opgehouden te bestaan. Daardoor waren zij niet meer zelf tot nakoming van die verplichting in staat en er was ook geen vertegenwoordigend orgaan (bestuur of vereffenaar) aan te wijzen die aan de verzoeken van de Inspecteur kon voldoen. Naar Curaçaos recht kwam aan de bewaarder van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers die vertegenwoordigende bevoegdheid namelijk niet toe. Om die reden moesten de informatiebeschikkingen worden vernietigd.

Het klinkt logisch: een vennootschap die is opgehouden te bestaan, kan niet in verzuim zijn ten aanzien van de informatie- en inlichtingenverplichtingen ex artikelen 47, 49 en 52 van de AWR. In Nederland heeft de bewaarder ook geen vertegenwoordigingsbevoegdheid ten aanzien van de vennootschap. Laat de inspecteur dat ter harte nemen in zijn opdracht tot bestrijding van belastingontwijking. De informatieplicht: it’s over when it’s over.

[1] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9536; ECLI:NL:GHARL:2020:9542; ECLI:NL:GHARL:2020:9538; ECLI:NL:GHARL:2020:9540.
[2] Nederland: artikel 2:23a BW; en Curaçao: artikel 2:32 BW
[3] HR 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK8288, BNB 2003/370.