In deze aflevering bespreken wij een drietal arresten van de Hoge Raad over het kwaliteitsdelict, de beoordeling van het beroep op het verschoningsrecht door een geheimhouder en de bewijswaarde van een strafrechtelijk vonnis in een fiscale zaak. Daarnaast is opgenomen een analyse van een tweetal arresten van het Gerechtshof Den Bosch over (voorwaardelijk) opzet in fiscale strafzaken. Wij wijzen tot slot nog op een recent verschenen uitgave op het terrein van het fiscale strafrecht.
Lees hier alvast een voorproefje: In deze zaak had het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden ter zake van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd en valsheid in geschrift. In een van de cassatiemiddelen wordt het standpunt ingenomen dat het hof onvoldoende gemotiveerd had bewezen verklaard dat verdachte als pleger van het eerste feit kon worden beschouwd, dan wel dat het eerste bewezen verklaarde feit ten onrechte, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, was gekwalificeerd als overtreding van artikel 69 lid 2 AWR.
In de kern richt het middel zich op de stelling dat uit de omstandigheid dat artikel 69 AWR als een (impliciet) kwaliteitsdelict moet worden beschouwd nadere eisen aan de motivering van de bewezenverklaring en kwalificatiebeslissing in het algemeen voortvloeien. Meer in het bijzonder dat de kwaliteit van verdachte als belastingplichtige uit de bewijsmiddelen moet volgen of dat de kwalificatiebeslissing op dit punt motivering behoeft…