Skip to content

#204 De ene Rotterdamse rechtbank is de andere niet

22 februari 2021
Gerelateerde expertises:

Zo’n half jaar geleden werd de officier van justitie door de rechtbank Rotterdam niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging van een aantal fiscale delicten. Dat ging om het opzettelijk niet overeenkomstig de belastingwet voeren van een administratie, het opzettelijk onjuist indienen van omzetbelastingaangiften en deelname aan een criminele organisatie voor zover deze het oogmerk had op het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften. De strafvervolging stuitte af op het door de verdediging gevoerde una via-verweer. Er was door de Belastingdienst een fiscale boete opgelegd voor (o.m.) het opzettelijk onjuist doen van aangiften vennootschapsbelasting. Op 25 januari 2021 oordeelde de(zelfde) rechtbank Rotterdam dat een fiscale boete voor het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften niet in de weg staat aan een vervolging voor het opzettelijk, niet overeenkomstig de belastingwet voeren van een administratie. Zelfde feitencomplex, zelfde rechtbank, zelfde officier van justitie. Diametraal verschillende uitkomsten.

Rechtbank Rotterdam I

Tijdens de eerste zittingsdag van de strafzaak die tot het vonnis van 23 juli 2020 leidde, stelde een van de raadslieden dat het stelen van een Mars, Nuts of een Bounty, als “hetzelfde feit” moet worden gezien. Vanuit die (aansprekende) grondgedachte werd betoogd dat het in de voorliggende fiscale strafzaak niet anders was. Er was te weinig omzet verantwoord, en dat had geleid tot een onjuiste administratie, onjuiste aangiften omzetbelasting en onjuiste aangiften vennootschapsbelasting. Dezelfde feiten, zou je zeggen. De rechtbank leek ontvankelijk voor die gedachte, en daagde de verdediging uit verweer te voeren. En dat verweer kwam er. Gebaseerd op de jurisprudentie van het EHRM die de nadruk lijkt te leggen op een meer feitelijk georiënteerde toetsing. Gesteld werd dat het opleggen van een fiscale boete voor het opzettelijk onjuist doen van aangiften vennootschapsbelasting als hetzelfde feit diende te worden gekwalificeerd als het opzettelijk voeren van een onjuiste administratie en het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting. Una via dus. Als eenmaal een fiscale boete is opgelegd door de Belastingdienst kan de officier van justitie niet meer vervolgen voor dat feit. Het verweer trof doel.

Voor de uitleg van “hetzelfde feit” verwees de rechtbank naar het overzichtsarrest van 1 februari 2011 van de Hoge Raad, die in dat arrest oordeelde dat zijn jurisprudentie zich verdraagt met die van het EHRM. Het Europese Hof legt de nadruk op eenheid in feitelijke omstandigheden, en rechtsbescherming, en lijkt af te zien van de juridische duiding van feiten. De Hoge Raad, die (wel) aan de juridische aard van de feiten toetst, én aan de gedragingen van de verdachte, heeft in het overzichtsarrest afstand genomen van een louter feitelijk criterium, overwegende dat de criteria die in de Europese rechtspraak worden gehanteerd, (ook) niet als louter feitelijk kunnen worden aangemerkt. Kortom: de rechtbank legde de criteria van de Hoge Raad aan (en daarmee, bezien vanuit het perspectief  van de Hoge Raad, wellicht ook die van het EHRM).

Rechtsbescherming zegeviert

Vervolgens constateerde de rechtbank dat voor wat betreft het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting als het doen van onjuiste aangiften vennootschapsbelasting, dezelfde rechtsbelangen worden beschermd, te weten de juiste belastingheffing. Daarmee ging het in juridisch opzicht om dezelfde feiten. De aangiften waren weliswaar niet op dezelfde tijdstippen gedaan, maar wel binnen de ten laste gelegde periode. Daarom concludeerde de rechtbank dat sprake was van “hetzelfde feit”, waarbij expliciet de nadruk werd gelegd op hetzelfde rechtsbelang (juiste belastingheffing) en wat door het EHRM wordt benadrukt, namelijk dat niet een te restrictieve interpretatie mag worden toegepast. Daarmee liet de rechtbank de rechtsbescherming zegevieren, en verloor zij zich niet in juridische muggenzifterij, waar geen burger wijs uit wordt.

De rechtbank trok de redenering door en concludeerde dat het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting hetzelfde feit is als het opzettelijk niet voeren  van een administratie, die aan de eisen van de belastingwet voldoet. Weliswaar zijn de strafmaxima verschillend, het rechtsbelang is naar het oordeel van de rechtbank hetzelfde, namelijk (wederom): de juiste belastingheffing. En ook het onderliggende feitencomplex is gelijk, aldus de rechtbank (afromen omzet, vervalsen administratie, en onjuiste aangiften omzet- en vennootschapsbelasting).

De rechtbank trok de redenering verder door, en verklaarde de officier van justitie ook niet-ontvankelijk voor het verwijt van deelname aan een criminele organisatie, voor zover het oogmerk was gericht op het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften. Heel begrijpelijk. Anders zou het una via-beginsel wat al te gemakkelijk door de officier van justitie omzeild kunnen worden.

Een rechtvaardig vonnis, dat ook goed is uit te leggen aan het publiek.

Rechtbank Rotterdam II

Wat schetst echter onze verbazing? Nog geen half jaar later oordeelt dezelfde rechtbank Rotterdam, in een zaak die zich voor wat betreft de feiten in niets onderscheidt van die uit het vonnis van afgelopen zomer, dat het voeren van een onjuiste administratie en het onjuist doen van aangiften omzetbelasting, niet als “hetzelfde feit” kunnen worden gezien. De rechtbank ziet weliswaar een “gedeeld rechtsbelang” bestaande uit een juiste belastingheffing, maar nu ook een verschil in rechtsbelang. Met het voeren van een deugdelijke administratie ligt het zwaartepunt op de mogelijkheid van controle, en is er volgens de rechtbank ook het (andere) bredere maatschappelijke belang dat vertrouwen gesteld moet kunnen worden in stukken (die in de administratie worden opgenomen). De feiten zijn juridisch dus niet hetzelfde, aldus de rechtbank dit keer. En ook in feitelijk opzicht worden nu verschillen geconstateerd, want het voeren van een onjuiste administratie heeft een “voortdurend karakter” en de onjuiste aangiften zijn op verschillende tijdstippen ingediend, aldus nog steeds de rechtbank dit keer.

De ene keer is de officier van justitie niet-ontvankelijk, de andere keer niet. Als dat geen onaanvaardbare uitkomst is voor de betrokken horecaonderneming. Natuurlijk, de ene rechter is niet gebonden aan het oordeel van de andere rechter. Maar een “interne” afstemming over de uitleg van “hetzelfde feit” zou niet hebben misstaan. Anders moet de (toekomstige) verdachte maar hopen dat hij niet de verkeerde kamer treft.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. P.J. (Peter) van Hagen