Skip to content

#218 Twee weten meer dan één

31 mei 2021

De toepassing van de verplichtingen van de Wwft in de praktijk blijft vragen oproepen. Op zich is nu vaak wel duidelijk dat een Wwft-instelling een cliëntonderzoek moet verrichten, een ongebruikelijke transactie moet melden en haar kennis over de Wwft op peil moet houden. Het wordt lastiger om in te schatten wat de bedoeling is als er meerdere Wwft-instellingen betrokken zijn bij een transactie of hoe hun Wwft-verplichtingen zich in onderlinge samenhang tot elkaar verhouden. In deze Hertoghs Beschouwt gaan we nader in op de verplichting van de Wwft-instelling om tóch een melding te doen als ook een andere Wwft-instelling de melding mogelijk al heeft gedaan en de zorgplicht van de accountant en fiscalist bij de naleving van Wwft-verplichtingen van hun cliënten.

Geen melding als de veronderstelling is dat al een melding is gedaan?

Op 25 mei 2021 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak van een autohandelaar die vervolgd en veroordeeld werd wegens overtreding van de verplichtingen uit de Wwft. Hij was echter van mening dat aan hem geen opzet kon worden verweten, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat zijn accountant op correcte en juiste wijze voor de Wwft-meldingen zou zorgdragen.[1] De Hoge Raad laat de veroordeling evenwel in stand en doet de zaak af op basis van artikel 81 RO. Uit de conclusie van de advocaat-generaal[2] blijkt dat de betreffende autohandelaar reeds meerdere keren is aangesproken op het niet naleven van de verplichtingen uit de Wwft. De autohandelaar geeft aan dat hij inderdaad op de hoogte is van de verplichtingen en dat hij juist om die reden met zijn accountant de afspraak heeft gemaakt dat de accountant zou zorgdragen voor de Wwft-meldingen. Zowel de rechtbank als het hof overwegen dat de autohandelaar deze afspraak met zijn accountant niet in de stukken heeft kunnen onderbouwen en dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte geen opzet heeft gehad. Uit de conclusie wordt niet geheel duidelijk of het überhaupt mogelijk is dat een Wwft-instelling een afspraak maakt met een derde om Wwft-meldingen te doen. De rechtbank heeft ten overvloede overwogen dat een dergelijke afspraak de verdachte niet zou hebben ontslagen van zijn eigen verantwoordelijkheid. Omdat dit een overweging ten overvloede is, bespreekt de advocaat-generaal dit verder niet. Verderop in zijn conclusie benoemt hij nog wel dat een Wwft-instelling gehouden is om ‘onverwijld’ een melding te doen. De betrokken accountant heeft tijdens zijn getuigenverhoor verklaard dat hij maandelijks langskwam bij de autohandelaar, hetgeen de advocaat-generaal doet concluderen dat daarin ligt besloten dat van een onverwijlde melding door de accountant in veel gevallen geen sprake kon zijn.

Kortom, het lijkt niet uitgesloten dat de naleving van de Wwft-verplichtingen kan worden uitbesteed aan een derde. Uit de gemaakte afspraken zal dan echter wel duidelijk moeten blijken dat de Wwft-instelling erop mag vertrouwen dat deze derde de meldingen tijdig en correct doet. In dat geval dient de Wwft-instelling bovendien te controleren of de meldingen daadwerkelijk door de derde zijn verricht.

Geen melding van een concreet geconstateerde melding?

Voor de omgekeerde situatie heeft het BFT in een nieuwsbericht een standpunt ingenomen. Het BFT is van mening dat accountants, belastingadviseurs en administratiekantoren de plicht hebben om handelsondernemingen, die cliënt zijn bij hun kantoor en die contante bedragen ontvangen van € 10.000 of meer, te wijzen op de meldplicht voor de Wwft.

De verplichting vloeit voort uit het cliëntonderzoek. Indien de cliënt van het accountants- of advieskantoor zelf ook een meldingsplichtige instelling is, dan zal het accountants- of advieskantoor moeten nagaan of zijn cliënt reeds op grond van de meldingsplicht ongebruikelijke transacties heeft gemeld. In het geval dit reeds is gebeurd, dan adviseert het BFT een kopie van deze melding en van de ontvangstbevestiging van de melding in het cliëntdossier te bewaren. Indien er geen melding door de meldingsplichtige cliënt is gedaan, zal die cliënt moeten worden geïnformeerd over het bestaan van die meldingsplicht. Als er aanwijzingen zijn dat de cliënt zich – bewust – niet aan de meldingsplicht houdt, dan zal het accountants- of advieskantoor zelf over die cliënt een melding moeten doen. Immers, het opzettelijk niet voldoen aan Wwft-verplichtingen kan een subjectieve indicator zijn die aanleiding geeft te veronderstellen dat sprake zou kunnen zijn van witwassen. Het opvragen van de meldingen is geen schending van het zogenaamde ‘tipping off’ verbod, omdat artikel 3 van de Wwft daarvoor een wettelijke grondslag biedt.

Zowel de cliënt van een accountant of fiscalist als de accountant of fiscalist zelf hebben bepaalde verwachtingen omtrent het vervullen van de verplichtingen uit de Wwft. Beide partijen hebben een zorgplicht om er zeker van te zijn dat de verplichtingen uit de Wwft worden nageleefd. Het is noodzakelijk om daarover over en weer duidelijke schriftelijke afspraken te maken.

[1] HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:728
[2] Conclusie A-G Keulen 30 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:495

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. A.A. (Anke) Feenstra