Skip to content

#222 Het venijn zit ‘m in de staart  

28 juni 2021

Belastingadviseurs en accountants worden regelmatig in strafrechtelijke onderzoeken betrokken als er een vermoeden bestaat dat zij een faciliterende rol hebben gehad bij fraude. Maar verdachte professionals als belastingadviseurs en accountants krijgen náást het gehele strafrechtelijk apparaat ook te maken met beroepsmatige gevolgen en integriteits- en betrouwbaarheidstoetsingen. Een strafrechtelijk onderzoek eindigt voor hen niet met de (al dan niet buitengerechtelijke) afdoening van de strafzaak.

 

Bijkomende toetsingen vanuit beroepsorganisaties en toezichthouders kunnen van grote invloed zijn op de mogelijkheden om de beroepsuitoefening te kunnen voortzetten. Daar moet de verdachte professional bedacht op zijn en de verdediging moet hier zoveel mogelijk op anticiperen.

 

Bezwaren uit het verleden in de VOG

De Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) is een van de bekendste middelen om ‘bezwaren uit het verleden’ te toetsen. De aanvraag van de VOG is ook voor accountants en adviseurs in een aantal situaties van belang, bijvoorbeeld bij de aanvraag van het lidmaatschap van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) of als toezichthouders hierom vragen. Zo kan in het kader van de Wwft door de toezichthouder om een VOG worden gevraagd van de beleidsbepalende personen.

 

De relevante justitiële gegevens die op naam van de aanvrager voorkomen in het justitieel documentatiesysteem  worden meegewogen bij de beoordeling of een VOG wordt afgegeven. Het justitieel documentatiesysteem bevat niet alleen informatie over afgeronde strafzaken, maar ook over zaken die niet tot een rechterlijke veroordeling hebben geleid. Sepotbeslissingen staan in dit systeem vermeld en kunnen onder omstandigheden in de beoordeling van een VOG-aanvraag worden betrokken als op beleidsmatige gronden niet tot vervolging is overgegaan.

 

Onze ervaring leert dat het belangrijk is om de registratie van een strafzaak, zowel tijdens als na afronding van het strafrechtelijk onderzoek, nauwlettend in de gaten te houden. Deze registratie zal onomkeerbare gevolgen hebben voor de justitiële documentatie.

 

Beroepsorganisaties adviseurs

De beroepsorganisaties voor belastingadviseurs hebben regels over het melden van een strafvervolging of een buitengerechtelijke afdoening. Zowel de NOB als de RB kennen een meldplicht. De meldplicht geldt zodra sprake is van een veroordeling en geldt dus niet direct bij de start van een strafrechtelijk onderzoek. Maar een definitieve beslissing in hoger beroep mag dus niet worden afgewacht. In de statuten van de NOB staat bovendien uitdrukkelijk dat ook bij acceptatie van een strafbeschikking of transactie bij het bestuur melding dient te worden gedaan. Ook staat bij beide beroepsorganisaties in de toelichting vermeld dat de verplichting tot het melden niet is beperkt tot financiële misdrijven of misdrijven gepleegd in de hoedanigheid van belastingadviseur, maar dat ook de afdoening van misdrijven begaan in de privésfeer moeten worden gemeld.

 

Het gevolg van het doen van een melding kan zijn dat het bestuur van de NOB of RB een onderzoek instelt. De uitkomst van het onderzoek kan leiden tot het indienen van een tuchtklacht of beëindiging van het lidmaatschap, maar het is ook mogelijk dat het bestuur tot het oordeel komt dat het handelen niet in strijd is met de eer en waardigheid van het beroep. In de toelichting bij deze bepalingen wordt zelfs overwogen dat een dergelijk oordeel een lid zelfs zou kunnen helpen in de nog lopende procedures, zodat in overweging wordt gegeven om reeds voordat de strafrechtelijke veroordeling, boete, strafbeschikking of transactie een feit is, contact op te nemen met het bestuur van de beroepsorganisatie.[1]

 

Mocht het bestuur niet tot een dergelijk oordeel komen, dan kan het onderzoek van de beroepsorganisatie echter grote gevolgen hebben. Beëindiging van het lidmaatschap heeft bijvoorbeeld vergaande consequenties voor de houdbaarheid van de positie van de betrokken belastingadviseur bij een NOB-kantoor. In artikel 12 van de Statuten van de NOB zijn nadere regels bepaald omtrent de samenwerking van een NOB-lid met andere belastingadviseurs. Effectief komt het erop neer dat NOB-leden uitsluitend mogen samenwerken met belastingadviseurs die NOB-lid zijn.

 

De tussenstap van de meldplicht, in plaats van een directe beëindiging of tuchtprocedure, geeft wel ruimte om de consequenties te beperken. Het is belangrijk om gedurende het strafrechtelijk onderzoek al acht te slaan op het bestaan van deze meldplicht en mogelijke consequenties goed in het vizier te houden en waar mogelijk daarop te acteren.

 

Accountants en incidentenmelding

Voor accountants bestaat geen specifieke meldplicht in de richting van het bestuur van de beroepsorganisatie. De AFM toetst de betrouwbaarheid van beleidsbepalers van een accountantsorganisatie. De regels omtrent de betrouwbaarheidstoetsing door de AFM zijn voor accountantsorganisaties vastgelegd in de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) en het Besluit toezicht accountantsorganisaties (Bta). De AFM moet bij een toetsing oordelen dat de betrouwbaarheid van een kandidaat buiten twijfel staat. Strafrechtelijke antecedenten en toezichtantecedenten zijn daarbij van groot belang en uit de gepubliceerde rechtspraak volgt dat de rechter geregeld oordeelt dat de AFM terecht tot een negatief betrouwbaarheidsoordeel is gekomen.

 

Bijzondere aandacht verdient ook de incidentenmelding. Deze meldplicht geldt voor de organisatie en niet voor de individuele accountant. Voor de accountantsorganisatie ontstaat een meldplicht bij de toezichthouder, de AFM, indien de mogelijke fraude classificeert als een incident dat ernstige gevolgen kan hebben voor de integere uitoefening van het bij de accountantsorganisatie aangesloten bedrijf en dit ook het vertrouwen in de accountantsorganisatie of de financiële markten kan schaden. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de accountantsorganisatie zelf in negatieve zin betrokken raakt bij een mogelijke fraude bij een cliënt.

 

De interpretatie van de AFM over wát als incident geldt, is overigens erg ruim. De parlementaire toelichting is beperkter. Het gaat enkel om incidenten als zij ‘ernstige gevolgen hebben voor de integere uitoefening van het bedrijf en daarmee voor het vertrouwen in de accountantsorganisatie of financiële markten als geheel’.[2] Of daarvan in een (vroege) onderzoeksfase al sprake is, is voor de accountantsorganisatie vaak moeilijk te beoordelen. Als organisatie wil je immers geen slapende honden wakker maken door (te) vroeg een melding te doen, maar het te laat melden kan uiteindelijk ook nadelig uitwerken. In die spagaat bevindt de accountantsorganisatie zich dus al snel.

 

Anticiperen en discussiëren

Met deze stortvloed aan meldverplichtingen en de mogelijke gevolgen daarvan lijkt de verdachte adviseur of accountant in een hoek te worden gedreven waar hij niet meer uitkomt. Is dit dan schering en inslag? Gelukkig niet. Vaak is het niet de bedoeling van een officier van justitie dat een professional die over de schreef is gegaan, mogelijk in het geheel zijn beroep niet meer kan uitoefenen. Daarom moeten deze gevolgen ook buiten het strafrecht onder de aandacht van de officier van justitie worden gebracht, zodat ten aanzien van de professionele verdachte een beslissing kan worden genomen waarbij met alle relevante gevolgen van een strafrechtelijke beslissing rekening wordt gehouden.

 

Meer weten over dit onderwerp? Anke Feenstra en Maaike Coenen schreven over de bijkomende gevolgen voor belastingadviseurs en accountants bij de afronding van een strafzaak een artikel in TBS&H: It ain’t over till the fat lady sings.

 

[1] Toelichting bij artikel 1, lid 4 van het Reglement Beroepsuitoefening RB en toelichting bij artikel 16, lid 5 van de Statuten NOB.
[2] Stb. 2006, 380, p. 45.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. M. (Maaike) Coenen