Skip to content

#228 Zwijgen namens de onderneming moet mogen

09 augustus 2021

Iedere verdachte van een strafbaar feit heeft het recht te zwijgen. Maar als een onderneming in het verdachtenbankje belandt, wijst de rechter het zwijgrecht alleen toe aan formele bestuurders van de onderneming, níet aan mensen op de werkvloer. Onterecht, omdat zo het zwijgrecht van de onderneming wordt uitgehold. Uiteindelijk zijn het altijd de handelingen van mensen van vlees en bloed, vaak werknemers, die aan de onderneming worden toegerekend. En die mogen zwijgen, vinden wij.

 

De rechter gaat niet ‘om’

Recent werd het zwijgrecht van de werknemer aan de orde gesteld in een zaak die was voorgelegd aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb).[1] In die casus was een boete opgelegd aan een B.V. die een akkerbouwbedrijf exploiteerde, vanwege het gebruik van een verboden gewasbeschermingsmiddel. Tijdens het onderzoek had een werknemer over het middel een verklaring afgelegd, die werd gebruikt als bewijs voor de opgelegde boete.

De werknemer zelf was niet als verdachte aangemerkt, zodat aan hem geen zelfstandig zwijgrecht toekwam. Aan de hoogste bestuursrechter werd de vraag voorgelegd of de werknemer niet toch op het zwijgrecht moest worden gewezen, nu het bedrijf werd verdacht. De zaak was een mooie aanleiding om terug te komen op eerdere rechtspraak over dit onderwerp. Maar het CBb zette de bestendige lijn[2] voort en overwoog dat niet is gebleken dat de werknemer namens de rechtspersoon heeft gehandeld, zodat de werknemer geen zwijgrecht toekwam. Een gemiste kans.

 

Omzeiling van een effectief zwijgrecht van de onderneming

Een gemiste kans, omdat op deze wijze geen recht wordt gedaan aan het zwijgrecht van de onderneming. Een bedrijf dat wordt beschuldigd van een strafbaar feit, hoeft zichzelf niet te belasten en mag weigeren om antwoord te geven op vragen. Dat zwijgrecht kan uiteraard alleen in de praktijk worden gebracht door natuurlijke personen die – al dan niet formeel – namens de onderneming spreken (of beter gezegd: zwijgen).

Naast de bestuurders als formele vertegenwoordigers van de rechtspersoon, zijn werknemers een belangrijke bron van informatie voor toezichthouders en Justitie. Aan hen komt echter geen zwijgrecht toe. Sterker, tijdens een onderzoek van de toezichthouder zijn zij verplicht hun medewerking te verlenen (artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht). Door aan werknemers niet dezelfde rechten toe te kennen als aan formele bestuurders, boet het zwijgrecht van de onderneming aan betekenis in. Immers, werknemers kunnen ervoor kiezen een verklaring af te leggen – wellicht tegen de wens van de onderneming in – zodat op deze manier toch namens de rechtspersoon wordt gesproken. Het zwijgrecht is dan niet effectief te noemen.

 

Een afgeleid zwijgrecht voor de werknemer: de andere kant van de medaille

Om te voorkomen dat het zwijgrecht van de onderneming wordt ondergraven, dient aan werknemers een zwijgrecht toe te komen. Weliswaar geen zelfstandig zwijgrecht, maar een afgeleid recht: de werknemer kan zich dan beroepen op het zwijgrecht van de onderneming, juist omdat hij daarvan onderdeel uitmaakt.

Een dergelijke, bijzondere positie van de werknemer is overigens ook om een andere reden goed te verdedigen. Het daderschap van een onderneming kan immers worden gebaseerd op het handelen (of nalaten) van een persoon die werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon.[3] De rechtspersoon kan dus verantwoordelijk worden gehouden voor het gedrag van de werknemers. Het is dan niet meer dan redelijk dat die rechtspersoon ook kan beschikken over zijn eigen zwijgrecht, door middel van de werknemers. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille: zwijgen is goud, maar stel de rechtspersoon dan ook in staat die gouden medaille te verzilveren.

 

Praktische werkafspraken

Gelet op de huidige stand van zaken, moeten werknemers van een verdachte rechtspersoon het momenteel stellen zonder een afgeleid zwijgrecht. Om te voorkomen dat de onderneming in een later stadium van een onderzoek onverwacht verklaringen van werknemers krijgt tegengeworpen, is het aan te raden werkafspraken te maken bij de aanvang van een controle of strafrechtelijk onderzoek. Een goed uitgangspunt is neergelegd in het Handboek Controle van de Belastingdienst, waarin wordt opgemerkt dat de controlemedewerker geen vragen stelt aan personeelsleden zonder de uitdrukkelijke toestemming van de onderneming.

Indien de toezichthouder of de FIOD  – ook zonder deze uitdrukkelijke toestemming – werknemers willen bevragen, ligt het voor de hand dat gesprekken met werknemers in elk geval op voorhand worden aangekondigd. Op deze wijze wordt de onderneming in staat gesteld haar rechtspositie en proceshouding tijdig te bepalen, bijvoorbeeld door het inroepen van bijstand van een advocaat.

 

 

[1] CBb 26 april 2021, ECLI:NL:CBB:2021:445.
[2] Zie ABRvS 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2801.
[3] HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. A.C.M. (An) Klaasse