Spring naar content

#230 De bank als judge, jury and executioner

23 augustus 2021

Met de vergaande Wwft-verplichtingen van banken – en de megaschikkingen door veronachtzaming daarvan – nemen zij hun klanten steeds indringender onder de loep. Hele afdelingen houden zich bezig met het controleren en onderzoeken van de eigen clientèle. Een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek die het onderwerp wordt van zo’n cliëntenonderzoek, heeft daar een flinke kluif aan.

Is over een doorzoeking een persbericht uitgebracht, dan zal dit de bank opvallen en kan een vragenbrief worden verwacht. Nog veel sneller gaat dit proces als door het Openbaar Ministerie (conservatoir) beslag is gelegd op banktegoeden van een verdachte. Daags hierna zal al een brief volgen van de bank met de vraag naar de toedracht van de beslaglegging en het delen van informatie over een verdenking. Let wel, het gaat hier om een ontzettend vroeg stadium van het strafrechtelijk onderzoek, waarin vaak nog weinig bekend is. Bovendien gaat het om een fase waarin een rechter nog (lang) niet naar de verdenking en eventuele bewijsmiddelen heeft gekeken.

Zorgplicht

Op de relatie tussen een bank en haar klant zijn de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) van toepassing. In artikel 2 ABV is bepaald dat de bank een zorgplicht heeft voor de klant, maar óók dat de klant een zorgplicht heeft voor de bank. Hierin is opgenomen dat de klant de diensten en producten van de bank niet mag misbruiken voor, bijvoorbeeld, strafbare feiten en activiteiten die schadelijk zijn voor (de reputatie van) de bank. Het artikel bevat ook de verplichting om informatie en documentatie aan de bank geven als die daarom vraagt en als de bank die nodig heeft.

Dat die informatievraag in het kader van cliëntenonderzoek ontzettend ruim wordt opgevat, blijkt uit steeds meer rechtspraak. In een deze zomer gepubliceerde uitspraak startte een klant een kort geding tegen de Rabobank wegens de beëindiging van de bankrelatie.[1] Bijzonder opmerkelijk en vergaand is het oordeel van de Amsterdamse voorzieningenrechter over de vraag of een klant desgevraagd de inhoud van het strafdossier moet delen met haar bank.

Wettelijke geheimhouding

Partijen voeren allereerst een discussie over de vraag of het strafdossier onder een wettelijke geheimhoudingsverplichting valt. De Wet politiegegevens en de Wet justitiële gegevens zouden zich verzetten tegen het verschaffen van strafrechtelijke gegevens aan anderen. Het oordeel van de voorzieningenrechter dat deze wetten van toepassing zijn op de verwerking van gegevens door overheidsinstanties met bevoegdheden op het gebied van het strafrecht, komt in principe juist voor. De verdachte is niet het normadressaat van deze wetten. Maar het is wel op zijn minst teleurstellend dat de voorzieningenrechter weinig aandacht schenkt aan de achterliggende gedachte van die wetten, die dienen ter bescherming van het zomaar delen van gegevens over een verdachte. Dat de informatie niet direct door overheidsinstanties wordt gedeeld maar via de verdachte, is niet meer dan een simpele omzeiling van deze wetten.

Een verdachte heeft op grond van het Wetboek van Strafvordering toegang tot stukken uit het strafdossier, die overigens in veel (grotere) zaken vaak maar mondjesmaat en in een laat stadium gedeeld worden door het Openbaar Ministerie. De voorzieningenrechter overweegt dat die wetsbepalingen regels bevatten over de kennisneming van het strafdossier ter bescherming van de procespartijen in de strafzaak, in het bijzonder de verdachte, maar dat daarin geen geheimhoudingsverplichting is opgenomen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de bank een belang had bij inzage in het strafdossier, om zo een eigen oordeel te kunnen vormen over risico’s van de bankrelatie. De klant heeft het cliëntenonderzoek van de bank belemmerd door geen afschrift van het strafdossier te verstrekken. In slechts één zin stelt de rechter wel dat van de bank kan worden verlangd dat zij niet op de stoel van de strafrechter gaat zitten en de strafrechtelijke onschuldpresumptie meeweegt in haar onderzoek. Die overweging, hoe terecht ook, zal in de praktijk een wassen neus zijn.

En hoe zit het dan met de onschuldpresumptie?

Met de toenemende aandacht voor compliance willen banken hun eigen straatje schoonvegen. Zij zijn klanten die ook maar énig risico kunnen vormen liever kwijt dan rijk. De voorzieningenrechter zegt het nota bene zelf: De bank heeft belang bij inzage in het strafdossier, om de risico’s van de bankrelatie te kunnen inschatten.

Totdat het tegendeel is bewezen, moet een verdachte voor onschuldig worden gehouden. Daarmee strookt niet dat de verdachte via een omweg wordt gedwongen om stukken uit een lopend strafdossier te delen, waarover de rechter nog geen oordeel heeft gevormd. In deze zaak had zelfs het Openbaar Ministerie nog geen definitieve beslissing tot vervolging genomen. Politie en Openbaar Ministerie hebben een wettelijk genormeerde geheimhoudingsplicht, en met goede reden. De bank heeft die geheimhouding omzeild door de informatie simpelweg aan een ander loket te vragen. De formalistische benadering die de voorzieningenrechter vervolgens gebruikt in deze zaak, kan veel te vergaande gevolgen hebben.

Bovendien wordt weinig aandacht geschonken aan de belangrijke maatschappelijke rol die banken innemen. Zonder bankrekening is een bedrijf ten dode opgeschreven en verdampen inkomstenbronnen. Daarmee wordt de verdachte al gestraft voordat deze überhaupt is veroordeeld; niet door de staat, maar door de maatschappij. Dat kan en mag niet de bedoeling zijn.

 

[1] Rechtbank Amsterdam 11 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3066