Skip to content

#248 Box 3: rechtsbescherming voor iedereen graag!

10 januari 2022

Het zal niemand zijn ontgaan. Het in 2017 ingevoerde box 3-stelsel is gesneuveld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft rechtsherstel geboden. De vragen naar aanleiding van dit arrest volgen elkaar snel op. Is er nog een rechtsingang als geen bezwaar is gemaakt? Kan het iemand worden tegengeworpen dat hij dacht ‘de wet is de wet’, dus naar de rechter gaan heeft geen zin? In het Financieel Dagblad gaf ik al een voorproefje. In deze Hertoghs Beschouwt volgt meer duidelijkheid.

Rechtsbescherming van de burger krijgt de afgelopen jaren gelukkig steeds meer aandacht. Bij de wijziging van box 3 die geldt vanaf het jaar 2017 was dat nog anders. Ook is de massaal bezwaar regeling aanzienlijk ingeperkt in het jaar 2016. Gaat Financiën in 2022 voor een herkansing en wordt aan iedereen rechtsherstel geboden?

Wat eraan vooraf ging: het box 3-stelsel

Gelet op het duidelijke arrest van de Hoge Raad zou rechtsherstel voor iedereen moeten gelden. De onrechtvaardigheid is veroorzaakt doordat de box 3-heffing is gebaseerd op een forfaitair vastgesteld rendement. Belastingheffing op basis van een forfait is toegestaan mits de werkelijkheid wordt benaderd. Als gevolg van de dalende rente op spaartegoeden is het vastgestelde rendement niet of nauwelijks haalbaar. In het verleden zijn dan ook veel procedures gevoerd waarin deze wanverhouding aan de kaak is gesteld. Voor het stelsel tot het jaar 2017 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het veronderstelde rendement van 4% niet meer haalbaar was, waardoor het recht op eigendom op stelselniveau is geschonden. De Hoge Raad[1] greep toen zelf niet in en legde de bal bij de wetgever.[2]

Arrest van de Hoge Raad

De wetgever voerde een nieuwe regeling in die is gebaseerd op een vaste verdeling van vermogen over spaargeld en beleggingen (vermogensmix): een klein vermogen wordt gespaard, en een groter vermogen wordt belegd. Verondersteld wordt dat met een groter vermogen een rendement wordt behaald dat met beleggen kan worden bereikt. Doordat de risicoarme belegger niet meer het uitgangspunt is, wordt de werkelijkheid nog minder benaderd dan voorheen. De Hoge Raad[3] oordeelt dat het forfaitaire stelsel op stelselniveau in strijd is met het recht op eigendom (artikel 1 EP bij het EVRM) en het verbod op discriminatie (artikel 14 EVRM). Er wordt geen rekening gehouden met het feit of de belastingplichtige zijn geld op de bank heeft laten staan of heeft belegd.

Rechtsherstel voor wie en hoe?

Als het forfaitair vastgestelde inkomen uit sparen en beleggen hoger is dan het werkelijk behaalde rendement dan is er strijd met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod. De Hoge Raad ziet niet voldoende aanknopingspunten om zelf rechtsregels voor rechtsherstel te formuleren. Niettemin biedt de Hoge Raad rechtsherstel aan de betreffende belastingplichtige, door uit te gaan van het werkelijk behaalde rendement.

Rechtsherstel zou mogelijk moeten zijn voor iedere belastingplichtige die minder rendement behaalt dan het veronderstelde rendement als gevolg van de toepassing van de vermogensmix. De vraag is of dat nog te realiseren is. Ik bespreek een aantal mogelijkheden.

1. Recente jaren: (massaal) bezwaar maken

Als een definitieve aanslag wordt opgelegd dan dient daartegen binnen zes weken bezwaar te worden gemaakt. Dat zal gaan gelden voor het jaar 2021 en deels nog voor 2020 en 2019. Als bezwaar is gemaakt dan zijn de rechten veiliggesteld en zal dit zijn aangemerkt als massaal bezwaar. De wijze waarop het massaal bezwaar wordt vervolgd, is nog niet duidelijk. Sinds het jaar 2016 vallen alleen belastingplichtigen die bezwaar hebben gemaakt onder de massaal bezwaarregeling.

2. Eerdere jaren: verzoek ambtshalve vermindering

Voor de jaren waarvoor de bezwaartermijn is verstreken, kan alsnog aan de Belastingdienst worden verzocht de aanslag te verminderen binnen 5 jaar na het jaar waarover de aanslag is opgelegd. Een dergelijk verzoek wordt “een verzoek tot ambtshalve vermindering” genoemd. Voor de inkomstenbelasting bestaat een aparte regeling (artikel 9.6 Wet IB 2001). Belangrijk voordeel is dat beroep bij de belastingrechter kan worden ingesteld als een verzoek om ambtshalve vermindering wordt afgewezen. In artikel 45aa, sub b, van de Uitvoeringsregeling Wet IB 2001 (de Uitvoeringsregeling) is echter bepaald dat geen vermindering wordt verleend bij jurisprudentie die voor het eerst is gewezen, nadat de belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan. Dat laat echter onverlet dat de Minister van Financiën anders kan bepalen. Wij roepen de Minister dan ook op van deze mogelijkheid gebruik te maken, zodat de strijd met het eigendomsrecht en discriminatieverbod voor iedere burger wordt weggenomen.

Maar stel dat dit niet gebeurt, welke mogelijkheden zijn er dan nog?

Aangezien de beperking van de ambtshalve vermindering niet in een wet is opgenomen maar in lagere regelgeving, kan de belastingrechter deze onverbindend verklaren of buiten toepassing stellen, vanwege strijd met mensenrechten uit internationale verdragen. De bepaling in artikel 45aa, sub b, van de Uitvoeringsregeling is als zodanig niet in strijd met de mensenrechten. De toepassing van deze bepaling leidt echter wel tot het in stand houden van belastingheffing, waarvan nu vaststaat dat die in strijd is met mensenrechten. Om die reden kan de rechter volgens ons de beperking in de Uitvoeringsregeling buiten toepassing verklaren.[4] De rechter heeft ook de mogelijkheid lagere regelgeving niet toe te passen als toepassing van die regel kennelijk onredelijk is.[5] Het oordeel van de Hoge Raad is duidelijk. De box 3-heffing is op stelselniveau in strijd met het recht op eigendom en het verbod op discriminatie, beide mensenrechten neergelegd in het EVRM. Duidelijker kan de boodschap niet zijn: deze regelgeving deugt niet en zou daarom buiten toepassing moeten worden gelaten. Daarom kan in mijn optiek aan een verzoek om ambtshalve vermindering door de inspecteur en anders door de belastingrechter worden voldaan.

3. Civiele rechter: doorbreken formele rechtskracht

Als dit niet zou lukken, kan de civiele rechter nog ingrijpen. Een belastingaanslag staat vast als bezwaar en beroep openstond en deze mogelijkheid niet is gebruikt (formele rechtskracht). Een gang naar de civiele rechter is dan in beginsel geen optie. Toch is een uitzondering mogelijk. De formele rechtskracht kan worden doorbroken als mensenrechten niet worden gerespecteerd. In het arrest Dangeville[6] ging het EHRM voorbij aan formele rechtskracht omdat anders sprake zou zijn van strijd met het EU-recht. In die omzetbelastingprocedure stond de uitspraak van de Franse rechter onherroepelijk vast. De klager probeerde vervolgens de ten onrechte geheven omzetbelasting terug te vorderen in een civiele procedure. Deze vordering werd vanwege de formele rechtskracht afgewezen. Het EHRM oordeelde echter dat de op het EU-recht gebaseerde vordering van klager bescherming geniet van het recht op eigendom. Nu duidelijk was dat de omzetbelastingheffing een evidente schending van het EU-recht vormde, mocht de regel van de formele rechtskracht niet aan klager worden tegengeworpen. Uit dit arrest van het EHRM leiden wij af dat formele rechtskracht er niet toe mag leiden dat belastingheffing die in strijd is met mensenrechten in stand blijft, mits duidelijk is dat sprake is van strijd met deze hogere regelgeving. In dit geval is duidelijk dat de box 3-heffing in strijd is met het recht op eigendom en het discriminatieverbod.

Ook kan formele rechtskracht worden doorbroken als de gevolgen van formele rechtskracht door bijzondere omstandigheden zo klemmend worden dat daarop een uitzondering moet worden aanvaard.[7] Volgens ons is dat hier het geval. Allereerst omdat anders een heffing in stand blijft die in strijd is met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod. Maar temeer vanwege de bijzondere omstandigheid dat de wetgever de vermogensmix heeft ingevoerd, omdat de Hoge Raad oordeelde dat het tot 2017 geldende systeem in strijd was met het eigendomsrecht. De burger kon er dan ook van uitgaan dat deze nieuwe wetgeving door de beugel kon én dat bezwaar maken tegen een heffing die conform de wet is vastgesteld geen reële mogelijkheid was. Voor de burger lag bezwaar maken dus niet voor de hand. Daardoor is sprake van bijzondere omstandigheden en zijn de gevolgen van formele rechtskracht zo klemmend dat een uitzondering daarop moet worden aanvaard.

Tot slot

In mijn optiek kan het arrest van de Hoge Raad over box 3 niet zonder gevolgen blijven. Vanwege de aard van het arrest – mensenrechtenschending op stelselniveau – ligt het wat mij betreft het meest voor de hand dat de Minister van Financiën een algemene regeling opzet die rechtsherstel biedt aan alle belastingplichtigen, ook die geen (massaal) bezwaar hebben gemaakt. Daarnaast is het mogelijk dat de Minister gebruik maakt van zijn bevoegdheid om de route van de ambtshalve vermindering toe te passen.

Indien u of uw cliënt een lager rendement heeft behaald dan het forfaitaire rendement raden wij daarom aan bezwaar te maken dan wel een verzoek om ambtshalve vermindering in te dienen. Loopt u daarbij nog tegen vragen aan? Aarzel dan niet om contact op te nemen.

 

[1] HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, BNB 2019/161.
[2] Wel kan een individuele buitensporige last aanwezig zijn waardoor heffing van belasting over box 3-vermogen (deels) achterwege moet blijven.
[3] HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.
[4] Zie J.W.A. Fleuren, Een ieder verbindende bepalingen van verdragen, blz. 343.
[5] Raad van State, 30-10-2013, ECLI:NL:RVS:2013:1710
[6] EHRM 16 april 2002, nr. 36677/97, ECLI:CE:ECHR:2002:0416JUD003667797 (Dangeville SA v. France).
[7] O.a. HR 16 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9347.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. A.J.C. (Angelique) Perdaems