Skip to content

#249 Aan de inspecteur: zoekt u nog een goed voornemen?

17 januari 2022

Wie een geschil heeft met de Belastingdienst, kan meestal veel vragen verwachten. De inspecteur probeert met vragenbrieven de onderste steen boven te halen. In deze onderzoekfase lijkt de inspecteur de ‘bewijslast’ echter vaak om te draaien door enkel gebruik te maken van artikel 47 Awr en daarbij de verantwoordelijkheid voor het verzamelen van stukken volledig bij de belastingplichtige te leggen. Als een vraag relevant kan zijn voor de heffing, is de belastingplichtige verplicht om antwoord te geven. Maar hoe moet dat als de gevraagde stukken niet aan de belastingplichtige worden verstrekt? Of als zelfs wordt medegedeeld dat deze niet meer bestaan onder verwijzing naar wettelijke bewaartermijnen?

Patstelling

In de praktijk verzoekt de inspecteur regelmatig om (bank)stukken of andere bescheiden van buitenlandse instellingen. Met het antwoord dat de stukken niet kunnen worden verstrekt en de reden daarvoor, wordt nagenoeg nooit genoegen genomen. De inspecteur kan dan een informatiebeschikking nemen (die kan leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast), een kort geding starten of simpelweg aanslagen opleggen op basis van een eigen schatting. In veel gevallen is dat op zijn zachtst gezegd wrang – de belastingplichtige geeft keer op keer antwoord op een gestelde vraag, maar omdat onderliggende stukken ontbreken wordt dit antwoord niet geloofd. Daarbij lijkt niet relevant of de stukken voor de belastingplichtige beschikbaar zijn of überhaupt bestaan, en de inspecteur voelt zich in de regel niet geroepen om zelf een onderzoek in te stellen. Zo komen de partijen in een patstelling terecht, die uiteindelijk door de rechter moet worden doorbroken. In die situatie zijn vaak al vele jaren verstreken. Dit komt de waarheidsvinding niet ten goede. Het is van belang dat de inspecteur gaat inzien dat ook op hem een taak rust om onderzoek te doen.

Strafrecht biedt aanknopingspunten

De strafrechtelijke jurisprudentie, meer in het bijzonder de vaste rechtspraak over witwassen, biedt volgens ons aanknopingspunten. Van witwassen kan alleen worden gesproken als het geld (of ander voorwerp) eerst “zwart” was, dat wil zeggen afkomstig uit een misdrijf. Bij een verdenking van witwassen is de belangrijkste vraag dus waar het geld vandaan komt. Als de verdachte stelt dat van witwassen geen sprake is, mag worden verlangd dat hij uitlegt waar het geld dan wél vandaan komt. Die verklaring moet 1) concreet, 2) min of meer verifieerbaar en 3) niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Als zo’n verklaring wordt gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om het verhaal te controleren en tegenbewijs te leveren. Als het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek doet, kan niet worden uitgesloten dat de verklaring van de verdachte klopt. In dat geval moet vrijspraak volgen.[1]

Het strafrecht kent andere uitgangspunten dan het belastingrecht, waardoor de analogie wellicht in eerste instantie moeilijk te zien is. Een verdachte komt immers het zwijgrecht toe, terwijl een belastingplichtige juist tot antwoorden verplicht is. Maar precies dat verschil maakt de witwasjurisprudentie zo geschikt: bij een verdenking van witwassen wordt van een verdachte verlangd dat hij een ontlastende verklaring geeft, hoewel dat op gespannen voet staat met zijn rechten. Als de verklaring van de verdachte voldoet aan de drie eisen, moet de officier van justitie hier onderzoek naar doen. Dat is logisch: als een verdachte zelf ontlastend bewijs kán aandragen, doet hij dat natuurlijk, maar soms is het simpelweg niet mogelijk. Voor particulieren is het vaak een stuk lastiger om bepaalde informatie te krijgen dan voor een overheidsinstantie met onderzoeksbevoegdheden.

Op een belanghebbende rust de plicht om zo volledig mogelijk te antwoorden op vragen van de inspecteur. Als dat niet lukt, en de belanghebbende geeft gemotiveerd aan waarom bepaalde stukken niet beschikbaar zijn en waar de inspecteur de gevraagde informatie zelf kan opvragen, is in wezen sprake van dezelfde situatie als bij de witwasverdachte. Denk bijvoorbeeld aan de context waarin een bank stukken niet wil verstrekken vanwege een privacy-issue van een derde of een wettelijke bewaartermijn. De belanghebbende geeft wel antwoord op een vraag, maar heeft zelf niet de middelen om dit antwoord te ondersteunen. De inspecteur kan het bewijs in veel gevallen wél verkrijgen. Als de belastingplichtige een geloofwaardige verklaring geeft en concrete handvatten biedt om deze te verifiëren, ligt het op de weg van de Belastingdienst als overheidsinstantie om daar onderzoek naar te doen. Net als in het strafrecht is zo’n uitzondering op de regel soms noodzakelijk om de waarheid zo goed mogelijk te benaderen. Uiteindelijk is het doel van de Belastingdienst per slot van rekening om zo precies mogelijk te heffen.

Ook belastingrechter ziet mogelijkheden

Wij zijn niet de enigen die overeenkomsten zien tussen de witwasjurisprudentie en fiscale procedures. In een recente uitspraak stelde de belastingrechter vast dat de belanghebbende opzettelijk onjuiste inlichtingen had verschaft over de wijze waarop hij een groot aantal bitcoins had verkregen, omdat hij hierover geen concrete of verifieerbare informatie had verstrekt.[2] Met deze overweging lijkt de rechtbank te impliceren dat, als de belanghebbende wél concrete en verifieerbare informatie zou hebben gegeven, hij daarmee voldoende zou zijn tegemoetgekomen aan het verzoek om inlichtingen. De Belastingdienst had de gegeven informatie dan immers zelf kunnen verifiëren.

Actievere rol voor de inspecteur in de onderzoeksfase

In het huidige systeem kunnen belastingplichtigen en de Belastingdienst in een patstelling terechtkomen vanwege de rigide vraag-antwoordverdeling die wordt gehanteerd en de beperkte mogelijkheden die particulieren soms hebben om informatie te verkrijgen. Pas wanneer een informatiebeschikking is genomen en een rechter bij de zaak is betrokken, kan worden bepaald hoe de bewijslast in een specifiek geval verdeeld moet worden.

Het lijkt ons een stuk efficiënter om in de onderzoeksfase al na te denken over wat in redelijkheid van beide partijen kan worden verwacht. Als de belastingplichtige een concrete en verifieerbare verklaring geeft over waar de gevraagde informatie kan worden gevonden, mag volgens ons wel enige inspanning van de inspecteur worden verwacht. De vraag wanneer een antwoord voldoende concreet en verifieerbaar is, is een volgende. Daarop zal in de praktijk een antwoord moeten worden gevonden.

 

[1] Zie bijvoorbeeld rechtbank Rotterdam 14-09-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:9183: “In het licht van het voorgaande had het op de weg van het openbaar ministerie gelegen om nader onderzoek te doen naar de door de verdachte genoemde personen en hen te bevragen ter verificatie van de door de verdachte afgelegde verklaring. Een dergelijk onderzoek heeft niet plaatsgevonden. Het feit dat dit is uitgebleven omdat dit moeilijk is omdat er nauwelijks een rechtshulprelatie is met de landen waar dit onderzoek zou moeten plaatsvinden, mag niet in het nadeel van de verdachte werken.”
[2] Rechtbank Noord-Holland (zittingsplaats Haarlem), 7 oktober 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:9913, r.o. 24.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. A.A. (Anke) Feenstra

Mr. L.M. (Luce) Smithuijsen