In een proefproces stelde het OM op basis van onderzoek van een particuliere partij strafrechtelijke vervolging in. Zowel de Rechtbank als Hof verklaren het OM niet-ontvankelijk. Het strafvorderlijk systeem is in de kern geraakt.
Het hof laat echter de deur op een kier voor zaken waarin uiterst minimaal opsporingsonderzoek heeft plaatsgevonden. Dat is een zorgelijke ontwikkeling, omdat het de rechten van een verdachte onvoldoende beschermt.
Opsporingsdiensten kampen al jaren met te weinig mankracht. Opsporingsonderzoeken duren daardoor (te) lang en ook heeft het invloed op het aantal zaken dat kan worden onderzocht en vervolgens vervolgd. Het wekt dan ook geen verbazing dat gezocht wordt naar innovatieve manieren om strafzaken anders af te doen.
Maar het Openbaar Ministerie mag daarbij niet te gemakzuchtig worden. Het opsporingsonderzoek is met goede reden uitgebreid genormeerd in ons Wetboek van Strafvordering. De bescherming van het EVRM ter waarborging van een eerlijk strafproces doet daar nog een schepje bovenop. De grenzen zijn niet voor niets scherp gezet. Grensverkenning is niet zomaar toegestaan.
Proefproces
Enkele jaren geleden heeft het OM een proef gestart in publieke-private samenwerking met verzekeringsmaatschappijen. Het idee was dat het OM op basis van het onderzoek dat was uitgevoerd door de verzekeraar – een private partij – een verdachte van verzekeringsfraude strafrechtelijk kon vervolgen.
In opdracht van de verzekeringsmaatschappij voerde een particulier bureau onderzoek uit. Dit speurwerk vormde vervolgens het dossier op basis waarvan de rechter moest oordelen over de strafrechtelijke verdenking.
Zorgen
Reeds op voorhand roept dit vragen op. De wet bepaalt dat de officier van justitie op grond van een ingesteld opsporingsonderzoek een beslissing tot vervolging moet nemen. Maar heeft er wel opsporingsonderzoek – in de zin van de wet – plaatsgevonden als dit door een private partij is gedaan?
Andere zorgen zijn de door de wet geboden waarborgen waarmee het opsporingsonderzoek is genormeerd. Het doel van strafrechtelijk opsporingsonderzoek is de waarheidsvinding. Los van het gegeven dat die waarheidsvinding niet altijd even goed in acht wordt genomen, is dit hogere doel toch een belangrijke waarborg voor de integriteit van het strafrechtelijk onderzoek dat onder het gezag van de officier van justitie plaatsvindt. Ook zijn er zorgen over de fundamentele rechten van verdachten in een eerlijk strafproces. Is de onderzochte persoon op de hoogte gesteld van de verdenking? En is hij op zijn zwijgrecht gewezen? Uit de publicaties rondom het proefproces valt af te leiden dat dit niet is gebeurd.
Wettelijk systeem in de kern geraakt
In 2019 maakte Rechtbank Rotterdam al duidelijk dat dit niet door de beugel kan en verklaarde het OM niet-ontvankelijk. Het OM liet het er echter niet bij zitten en ging in hoger beroep.
Hof Den Haag verklaart het OM wederom niet-ontvankelijk in de zaak waarin geen opsporingsonderzoek heeft plaatsgevonden onder gezag van het OM.[1] Een integere en onafhankelijke opsporing – met waarheidsvinding als doel! – is het fundament van de strafvordering. Een vervolging die niet is gebaseerd op een opsporingsonderzoek, zoals omschreven in de wet, is in strijd met het fundamentele karakter van het systeem. De essentiële waarborgen voor de kwaliteit van het onderzoek ontbreken immers en de integriteit en de onafhankelijkheid van het onderzoek kunnen niet worden gegarandeerd.
Het hof oordeelt dan ook dat het wettelijk systeem met deze gang van zaken in de kern is geraakt. Niet-ontvankelijkheid is het terechte gevolg.
Toch de deur op een kier?
In een andere zaak laat het hof echter ruimte.[2] In dat geval was de verdachte naast het particuliere onderzoek ook verhoord door een opsporingsambtenaar. Weliswaar zeer minimaal, maar daardoor had er wel enig opsporingsonderzoek plaatsgevonden en het hof achtte de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging. De zaak werd op verzoek van zowel OM als verdediging teruggewezen naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling.
Neem kritische kanttekeningen ter harte
Het is nog geen gelopen race dat het onderzoek tot een veroordeling zal leiden. Het hof plaatst (terechte) kritische kanttekeningen bij de bewijsvergaring. De ingebrachte ‘schriftelijke bescheiden’ (weliswaar een wettig bewijsmiddel) zijn opgesteld door of in opdracht van de verzekeraar. Het hof benadrukt dat deze enkel tot het bewijs kunnen worden gebezigd in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Hopelijk neemt de officier van justitie de kanttekeningen ter harte.
Een vergelijk met de wijze waarop wordt omgegaan met het feitenonderzoek van advocaten dringt zich hier op. De advocaat is bij de uitvoering van interne feitenonderzoeken gebonden aan de kernwaarden en moet zich houden aan de beroepsregels. Reeds daardoor is dat feitenonderzoek beter op waarde te schatten. Maar ook in die zaken is vanuit het OM steeds benadrukt dat het onderzoek niet zomaar wordt overgenomen. De (in die gevallen: namens de verdachte) aangedragen informatie wordt door de opsporingsdiensten gecontroleerd en geverifieerd.
Waarom een dergelijke werkwijze in het proefproces niet is gehanteerd, blijft een openstaande vraag. Het verdient in elk geval geen schoonheidsprijs. Een integere en onafhankelijke opsporing is in ieders belang. Het opsporingsonderzoek dient onder het gezag van het OM plaats te vinden om dit te waarborgen. Deze verantwoordelijkheid kan het OM niet ontlopen.
[1] Hof Den Haag 27 januari 2022, ECLI:NL:GHDHA: 2022:57.
[2] Hof Den Haag 27 januari 2022, ECLI:NL:GHDHA: 2022:58.