Skip to content

#261 Wel verdedigbaar, niet pleitbaar?

11 april 2022

Inmiddels mag als gemeengoed worden verondersteld dat geen opzet of grove schuld kan worden aangenomen bij een pleitbaar standpunt. In het zogenoemde Credit-Suisse-arrest van 21 april 2017[1] heeft de Hoge Raad ter zake een aantal belangrijke rechtsregels gegeven. Wanneer is sprake van een pleitbaar standpunt? Is ieder standpunt dat verdedigbaar is, ook pleitbaar in de door de Hoge Raad bedoelde zin? En hoe kan de fiscale adviespraktijk met deze problematiek omgaan?

In het arrest van 21 april 2017 heeft de Hoge Raad overwogen dat het moet gaan om een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht, “in die zin dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze uitleg en daarmee de door hem gedane aangifte juist was.” In een later arrest[2] heeft de Hoge Raad daaraan nog toegevoegd dat ook de rechtskundige duiding van feiten daaronder valt. Een pleitbaar standpunt moet dus zijn gebaseerd op een pleitbare uitleg van het fiscale recht of een rechtskundige duiding van feiten. Het leerstuk van het pleitbare standpunt ziet daarmee niet op zaken die (alleen) over de feiten gaan of het bewijs daarvan.

Wanneer is een standpunt pleitbaar?

Daarover bestaat al de nodige rechtspraak. Ook in de Credit-Suisse-zaak had het hof al geoordeeld dat sprake was van een pleitbaar standpunt. Het hof overwoog dat zodanige argumenten voor het standpunt waren aan te voeren dat niet kon worden gezegd dat met het innemen van dat standpunt  dermate lichtvaardig was gehandeld dat opzet of grove schuld moest worden aangenomen. Een bekende – al eerder door de Hoge Raad ontwikkelde – formule. Met voldoende krachtige argumentatie is er, met andere woorden, geen plaats voor opzet of grove schuld. De door het hof aangelegde maatstaf was in overeenstemming met die van de Hoge Raad, zo oordeelde deze expliciet in het Credit-Suisse-arrest. Verder oordeelde de Hoge Raad dat het hof de maatstaf ook juist had toegepast: gelet op de wettekst, de aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis en de op grond daarvan in de vakliteratuur verdedigde opvattingen. Daarbij werd in aanmerking genomen dat er in de jurisprudentie van de Hoge Raad zelf nog geen oordelen waren gegeven over een voldoende vergelijkbaar geval.

Uit oudere rechtspraak is bekend dat een rechtskundig standpunt dat door de rechter is gevolgd, pleitbaar is, ook al wordt dat standpunt in hoger beroep niet in stand gelaten. Dat geldt ook voor een standpunt dat door de advocaat-generaal wordt gedeeld, maar door de Hoge Raad niet. En zo zijn er wel meer voorbeelden in de jurisprudentie te vinden.

Is dan ieder standpunt dat te verdedigen is, pleitbaar?

Dat hangt van de kwaliteit van het standpunt af. Argumenten dienen een zeker minimumgewicht te hebben, zo wordt in de vakliteratuur gesignaleerd[3] . Dat betekent in mijn optiek, dat serieus onderzoek dient te worden gedaan naar de houdbaarheid van een standpunt. Er moet een kans zijn dat de rechter het standpunt kan volgen.

Hoe groot die kans moet zijn, valt denk ik niet met precisie te zeggen. Sowieso zou ik – vanuit een boeterechtelijk perspectief, en niet alleen dan –  voorzichtig  zijn met kansberekeningen. Als de kans op succes op 25% zou worden gesteld en de cliënt wil het erop wagen, zou bij de inspecteur de gedachte kunnen opkomen dat de kans op een onjuiste aangifte aanmerkelijk is, namelijk 75%. De inspecteur in de Credit-Suisse-zaak benaderde het op die manier, en werd daarin ook gevolgd door de rechtbank. Zelfs een fiftyfifty-situatie zou, zo bezien, spelen met vuur kunnen zijn. Zeker als het om kwesties gaat die de Belastingdienst – vroeg of laat – bestrijdt. Pas dus op met het geven van slagingspercentages. In een brief aan de cliënt vermelden dat de kans groot is dat de inspecteur er anders over zal denken, doet het ook altijd goed bij de boete-inspecteur.

Het komt aan op inhoudelijke argumentatie. Als die voldoende stevig is, behoeft voor een boete niet snel te worden gevreesd.

Als laatste nog een ander waarschuwend vingertje. De adviseur die zegt dat een aangifte kan worden ingediend, omdat daaraan een standpunt ten grondslag ligt dat pleitbaar is, kan zich ook op glad ijs begeven. Die adviseur is zich immers bewust van de kans op onjuistheid van de aangifte en laat dat ook zien. Nu is wetenschap alleen niet voldoende voor opzet. De onjuistheid van de aangifte moet ook zijn aanvaard. Maar toch. Niet iedere inspecteur houdt van meet af aan rekening met de eisen die aan het bewijs van opzet worden gesteld.

Overigens, als de belastingplichtige er niet in slaagt de pleitbaarheid van zijn standpunt voor de rechter te laten slagen, is daarmee het opzet op het indienen van een onjuiste aangifte nog niet per definitie gegeven. Dat er sprake is van opzet zal nog altijd door de inspecteur moeten worden bewezen.

Al met al durf ik wel af te sluiten met de stelling dat een standpunt dat serieus kan worden verdedigd voor de rechter, moet worden gezien als een pleitbaar standpunt. Een beetje ruimhartigheid kan geen kwaad. Niet voor niets heeft de Hoge Raad in zijn arrest vooropgesteld dat het voldoen aan de fiscale aangifteplicht geen eenvoudige opgave is.

 

[1] Hoge Raad 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638.
[2] Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:970.
[3] Noot M.W.C. Feteris bij HR 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE4480, BNB 2004/75, punt 12; C. Bruijsten,  Onzekerheid in fiscale rechtsvinding, Wolters Kluwer 2016, p. 72; M.M. Kors, Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (Fiscale Monografieën nr. 148), Wolters Kluwer 2017, p. 46-48.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. P.J. (Peter) van Hagen