Skip to content

#266 Consensuele afdoening in opkomst, maar niet zonder slag of stoot

16 mei 2022

De consensuele gerechtelijke procedure is in opkomst. Verdediging en Openbaar Ministerie komen in steeds meer zaken tot een gezamenlijk ‘afdoeningsvoorstel’ of ‘procesafspraken’. Een wettelijke verankering bestaat er echter (nog) niet en rechters in den lande gaan verschillend om met dit soort initiatieven. Ondanks een aantal succesvolle experimenten krijgen verdediging én Openbaar Ministerie niet zelden het deksel op de neus.

Uit welke hoek waait de wind?

Rechtbanken gaan op uiteenlopende wijze om met de “consensuele gerechtelijke procedure”. Dat begint al met de verschillende terminologie: ‘afdoeningsvoorstellen’, ‘procesafspraken’, ‘raamwerkovereenkomsten’, ‘vonnisafspraken’ en ‘vonnisvoorstellen’, al dan niet behandeld door de ‘innovatiekamer’ van de betreffende rechtbank. Er zijn inmiddels een flink aantal succesvolle experimenten geweest.

‘Versnelde procedure’ voor langlopende zaken

De Haagse innovatiekamer ontwikkelde een werkwijze om een grote voorraad oude zaken weg te werken. Hier ging het om zaken die al langer dan twee jaar in hoger beroep aanhangig zijn. Er zijn selectiecriteria ontwikkeld en zaken die hieraan voldoen, kunnen worden ingepland in een speciaal zittingsrooster.

Het Openbaar Ministerie en de verdediging moeten vervolgens tot afspraken komen over de afdoening, die schriftelijk worden vastgelegd en voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling aan het hof worden toegestuurd. Eind januari 2022 verschenen de eerste arresten waarin deze werkwijze is aangehouden.[1] Op vergelijkbare wijze werd in Limburg een viertal zeer langlopende strafzaken afgedaan.[2]

Het Rotterdamse model

Bij de experimenten in Den Haag en Limburg ging het om zaken met een zeer lange looptijd die een versnelde gerechtelijke afdoening behoeven. In Rotterdam ging het om potentieel omvangrijke ondermijningszaken die met het maken van procesafspraken vroegtijdig worden omgevormd tot eenvoudigere dossiers.[3] Hier kwam het initiatief tot het maken van procesafspraken van de voorzitter van de rechtbank, die na ontvangst van maar liefst 125 pagina’s aan onderzoekswensen van de verdediging kennelijk aan het denken is gezet: ‘Ik heb mij daarom af zitten vragen of de strafrechtspleging in dit soort zaken niet op een alternatieve manier op gang kan worden geholpen. Ik denk daarbij aan het maken van procesafspraken’.[4]

In het uiteindelijke vonnis wordt uitgebreid stilgestaan bij de overwegingen om in deze zaak tot procesafspraken te komen.[5] Het vonnis bevat het toetsingskader van de procesafspraken en een uitgebreide beoordeling daarvan. Ook legt de rechtbank uit waarom de ‘korting’ die de verdachte heeft gekregen, gerechtvaardigd is: deze valt binnen een reële bandbreedte van maximaal één derde korting, de matiging zou ook aan de orde zijn als nog jaren zou moeten worden geprocedeerd en bovendien werd er rekening mee gehouden dat de verdachte meewerkt aan een procedure die leidt tot tijdwinst. Een tijdwinst ‘die in het algemeen belang wordt ingezet om andere zaken op te pakken en zo de strafrechtspleging te dienen’, aldus de rechtbank.

Recht doen aan de aard en ernst van de feiten

Maar in een aantal zaken kennen experimenten een minder bevredigende uitkomst. Van Rechtbank Overijssel is de vernietigende uitspraak in de Cymbal-zaak uit 2019 afkomstig.[6] Dit was de allereerste keer dat in Nederland procesafspraken zijn gemaakt. Rechtbank Overijssel wees het af, omdat de afgesproken strafeis “op geen enkele wijze” recht deed aan de aard en ernst van de feiten in die zaak. De strafeis was een aanzienlijke voorwaardelijke gevangenisstraf waarbij de verdachten niet meer terug de gevangenis in zouden hoeven. De rechtbank legde echter gevangenisstraffen op van zes en vijf jaar.

De Noordelijke Fraudekamer van Rechtbank Noord-Nederland gebruikte zeer recent nog eenzelfde formulering bij het afwijzen van gemaakte procesafspraken in een grote drugs- en fraudezaak.[7] De verdachten en de officier van justitie hadden voor de inhoudelijke behandeling van de zaak een afdoeningsvoorstel gepresenteerd, waarin zij overeenstemming hadden bereikt over onder meer het erkennen van de feiten en de strafeis.

De rechtbank is niet meegegaan in dit voorstel. De wet biedt in de ogen van de rechtbank thans geen grondslag voor het één-op-één overnemen van de inhoud van een dergelijk voorstel in het vonnis, zonder een daaraan voorafgaande actieve en inhoudelijke beoordeling door de rechter. De rechtbank vindt dat de strafeis absoluut geen recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten en legt aanzienlijk hogere straffen op dan geëist.

Licht aan de horizon

Toch lijkt er ook in het oosten licht aan de horizon te schijnen. In een recente zaak stond de rechtbank Overijssel het maken van procesafspraken tussen het OM en verdediging weliswaar op dat moment niet toe, maar de rechtbank stelde voorop niet onwelwillend tegenover het maken van dergelijke afspraken te staan.[8]

In dat kader benadrukte de rechtbank dat het gaat om een relatief recent fenomeen en dat het tot nu toe slechts ingezet lijkt te worden in uitzonderlijke gevallen, namelijk oude zaken en complexe en omvangrijke kwesties die jarenlang voortslepen. Ook benoemde de rechtbank dat het gaat om zaken waarbij het de verwachting is dat procesafspraken een proceseconomisch voordeel opleveren door het strafrechtsysteem te ontlasten. Daarvan was volgens de rechtbank Overijssel echter (nog) geen sprake.

Het maken van procesafspraken houdt de gemoederen dus flink bezig. Wij houden de ontwikkelingen op dit gebied nauwlettend in de gaten.

 

[1] Hof Den Haag 26 januari 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:87, 88, 89, 90, 91, 92.
[2] Rechtbank Limburg 9 december 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:9266, 9267, 9268, 9269 en 9270.
[3] Zie voor een uitgebreide bespreking van deze experimenten L.J.J. Peters, “Procesafspraken in strafzaken. Bespreking van actuele experimenten en in het bijzonder de vonnissen uit Limburg en Rotterdam”, Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht.
[4] Rechtbank Rotterdam 4 oktober 2021, proces-verbaal van de zitting, ECLI:NL:RBROT:2021:9953.
[5] Rechtbank Rotterdam 24 december 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:12699.
[6] Rechtbank Overijssel 4 september 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:3103.
[7] Rechtbank Noord-Nederland 21 april 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:1343, ECLI:NL:RBNNE:2022:1356, ECLI:NL:RBNNE:2022:1360 en ECLI:NL:RBNNE:2022:1385.
[8] Rechtbank Overijssel 11 maart 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:1071.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. M. (Maaike) Coenen