Spring naar content

#276 Het (oneigenlijk) wedden op twee paarden: straf en civiel

25 juli 2022

Afhankelijk van de rol die iemand in het strafproces inneemt, kunnen het civiele recht en strafrecht elkaar aanvullen, overlappen, maar ook bijten. Dat wordt – bezien vanuit het oogpunt van een verdachte – duidelijk in bijvoorbeeld ontnemingsprocedures, artikel 12 Sv klachtprocedures en procedures voor de benadeelde partij voor het verkrijgen van stukken uit het strafdossier. Het komt in de praktijk voor dat het strafrecht wordt ingezet om een civiele procedure (tegen de verdachte/wederpartij) ‘kracht bij te zetten’, maar daar is het strafrecht niet voor bedoeld en oneigenlijk gebruik daarvan moet worden voorkomen.

Ontnemingsprocedures en schadeverhaal in een civiele procedure

Aanleiding voor deze editie van de Hertoghs Beschouwt is de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 juni 2022, waarin juist een goede scheidslijn was getrokken tussen het civiele recht en het strafrecht. De rechtbank oordeelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de ontnemingsvordering, vanwege een getroffen schikking in de civiele procedure.[1] De oud-werkgever had wegens verduistering in dienstbetrekking (tevens het strafbare feit) een civiele procedure aangespannen en in die procedure een schikking getroffen met de verdachte. Er is dan geen belang meer bij een ontnemingsvordering, die ten doel heeft om het financieel verkregen voordeel verkregen door middel van strafbare feiten ongedaan te maken. Dat doel is namelijk behaald door de civiele schikking.

In dit specifieke geval stelde de officier van justitie zich ook zelf op het standpunt dat hij niet-ontvankelijk was in de ontnemingsvordering, omdat er geen strafrechtelijk belang meer was. Een juist standpunt van de officier van justitie, de verdediging én de rechtbank in mijn optiek.

Klacht niet verdere vervolging: artikel 12 Sv

In artikel 12 Sv procedures kunnen civiele en strafrechtelijke belangen een rol spelen. Zo’n artikel 12 Sv-klacht kan worden ingediend als het Openbaar Ministerie besluit geen strafvervolging te starten na bijvoorbeeld een gedane aangifte. Het gerechtshof beoordeelt of strafvervolging alsnog dient plaats te vinden.

Bezien vanuit de verdachte kan in dergelijke procedures een achterliggend, of dubbel belang, van de benadeelde partij duidelijk worden. Het doen van aangifte of het ‘afdwingen’ van strafvervolging door middel van een artikel 12 Sv-procedure kan nogal eens worden gebruikt om de civiele procedure kracht bij te zetten. Dit werd duidelijk in een artikel 12 Sv-procedure tegen ING, waarbij het hof oordeelde dat “de indruk wordt gewekt dat de onderhavige beklagprocedure door klager wordt gebruikt als drukmiddel om een civiele claim af te dwingen. Hiervoor is deze procedure echter niet bedoeld”.[2] Het is terecht dat het hof hier adequaat op reageert.

Sepot door het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie kan een zaak seponeren omdat het in de kern een civiele discussie is, zo volgt uit de “Aanwijzing sepot en gebruik sepotcodes”. Een zaak kan worden geseponeerd omdat de schade beter langs civielrechtelijke of administratiefrechtelijke weg kan worden geregeld. Er is dan geen reden tot overheidsingrijpen.[3] De officier van justitie kan dus in een vroeg stadium onderkennen of het in de kern een civiel geschil is waarvoor het strafrecht al dan niet moet worden ingezet. Een soort poortwachtersfunctie om het verwijt in juiste banen naar het juiste rechtsgebied te ‘begeleiden’.

Verstrekken van stukken uit het strafdossier

Een ander punt in een strafprocedure waar civiele en strafrechtelijke belangen elkaar kunnen bijten, althans voor de verdachte, is het verzoek om kennisneming van het strafdossier door de benadeelde partij. Zeker in situaties als diezelfde benadeelde partij ook een civiele procedure jegens de verdachte heeft aangespannen.

Als een strafrechtelijk onderzoek is gestart, heeft de benadeelde partij recht op kennisneming van bepaalde processtukken. Op grond van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is dat mogelijk voor ‘strafvorderlijke doeleinden’. Dat is ook terecht, want de benadeelde partij moet de mogelijkheid hebben om zijn vordering op de verdachte te onderbouwen. Maar het is niet de bedoeling dat dit recht wordt gebruikt voor civiele doeleinden. Rechtbank Amsterdam oordeelde dat het verzoek van een benadeelde partij voor het krijgen van stukken uit een strafdossier voor het opstellen van een civiele vordering, niet kan worden gebaseerd op artikel 51b Sv. Het verkrijgen van die stukken moet dan op de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) worden gebaseerd.[4]

Te vaak zien we nog in de praktijk dat een officier van justitie al in een vroeg stadium  processtukken aan de benadeelde partij verstrekt. Een benadeelde partij heeft hier ook recht op. Maar de vraag is in welk stadium. De stukken uit een strafdossier worden in mijn optiek in een te vroeg stadium verstrekt als het belang van de benadeelde partij – op dat moment – is gelegen in het gebruik van de strafdossierstukken in een aanpalende civiele procedure (in plaats van voor het opstellen van een vordering benadeelde partij).

Laat civiele belangen daar waar die horen: in het civiele recht

In de parlementaire geschiedenis bij artikel 51b Sv (het verstrekken van stukken uit het strafdossier aan de benadeelde partij) is door de toenmalige minister van Justitie Hirsch Ballin aangegeven dat niet is gebleken dat het verstrekken van afschriften tot een ander gebruik heeft geleid dan voor het doel waarvoor deze zijn verstrekt. Er was volgens de minister geen aanleiding voor een nadere beperking.[5] Gelet op de praktijk en de gepubliceerde rechtspraak zijn er enkele aanwijzingen die een ander beeld geven.

De boodschap is dan ook dat civiele belangen thuishoren in het civiele recht en dat het strafrecht niet wordt “gebruikt” om civiele belangen extra kracht bij te zetten. Als we het strafrecht en het civiele recht strikter gescheiden houden, dragen we ook direct een steentje bij aan het oplossen van het tekort aan rechters en het wegwerken van achterstanden door de rechtbanken.[6]

 

[1] Rb. Limburg 1 juni 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:4240.
[2] Hof Den Haag 9 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2344.
[3] Sepotcode 74, uit de Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden, 2022A004.
[4] Rb. Amsterdam 11 mei 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2765.
[5] Kamerstukken I 2007/08, 0 143, nr. D, p. 2.
[6] ‘Personeelstekort rechtbank noodzaakt tot sepot zaken’, Rechtspraak 16 juni 2022.