Spring naar content

#284 Verweer voeren tegen fiscale vormfouten loont!

19 september 2022

In het strafrecht bereik je weinig tot niets met een verweer op basis van juridische vormverzuimen. Formele fouten van het opsporingsapparaat in het voorbereidend onderzoek leidt zelden tot nooit tot rechtsgevolgen waar een verdachte baat bij heeft. Als gevolg van strenge jurisprudentie van de Hoge Raad wordt het niet-naleven van strafprocesrechtelijke vormvoorschriften nauwelijks gesanctioneerd.[1]

Hoe anders is het in het belastingrecht, waar een juridische vormfout tot gevolg kan hebben dat een complete aanslag wordt vernietigd! Recent ging de rechtbank Zeeland-West-Brabant aan een complexe materiële waarderingsdiscussie voorbij, door simpelweg te oordelen dat de aanslag niet binnen de wettelijke drie-jaarstermijn was opgelegd.[2] Deze verfrissende uitspraak toont wederom aan dat het binnen de fiscaliteit loont om op elke formele slak zout te leggen. De casus was als volgt.

Waardering rozenkwekerij

De betreffende belastingplichtige dreef tot 2015 een onderneming in de vorm van een rozenkwekerij. Tot het ondernemingsvermogen behoorden gronden en opstal.[3] De inspecteur verzocht de belanghebbende om een specificatie van de behaalde (stakings)boekwinst op activa/buitengewone baten en om een taxatierapport. Na een discussie per e-mail liet de inspecteur in 2019 een eigen taxatie uitvoeren door een agrarisch taxateur van de Belastingdienst. Op basis van een uitgebreid onderzoek zou volgens de taxateur gemotiveerd zijn gebleken dat de door belastingplichtige aangegeven waarde in het economisch verkeer niet gevolgd kon worden. De taxateur adviseerde als grondslag van de geschatte waarde op de peildatum een waarde in het economisch verkeer aan te houden van € 569.000.[4]

De inspecteur maakte bij brief van 13 augustus 2019 zijn voornemen om af te wijken van de aangifte aan belanghebbende kenbaar.[5] Als gevolg van de beoordeling van de taxateur werd de belaste boekwinst gecorrigeerd.[6] Op 18 oktober 2019 heeft de inspecteur vervolgens de aanslag vastgesteld.[7] De belastingplichtige liet het er niet bij zitten en ging in bezwaar en beroep.

Partijen bepalen omvang geding

In het bestuursrecht bepalen partijen de omvang van het geding. Een rechtbank zal daarom in een uitspraak eerst de geschilpunten benoemen en één voor één afpellen in de geschilbeslechting. Vanzelfsprekend was de hoogte van de aanslag bij de rechtbank in geschil, meer in het bijzonder de vraag of de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag  terecht een boekwinst van € 125.250 in aanmerking heeft genomen en of de waarde van de landbouwgrond in box 3 terecht met een bedrag van € 328.362 was gecorrigeerd.

De gemachtigde van deze belanghebbende bracht ook enkele formele (standaard)verweren in stelling, waarmee in geschil was of de inspecteur de aanslag tijdig heeft opgelegd, alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en de hoorplicht heeft geschonden.

Veelal worden deze formele (standaard)verweren door een rechtbank met standaardoverwegingen weggeschreven. Het leidt zeker niet altijd tot succes. Het geschilpunt over de tijdigheid van het opleggen van de aanslag leidde in deze casus tot de complete vernietiging van de aanslag. Hoe zat dat?

Op grond van artikel 11, lid 3, AWR, vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verlengd. Kortom: een aanslag moet binnen drie jaar worden vastgesteld, waarbij de termijn wordt verlengd met het verleende becon(belastingconsulent)uitstel voor het doen van aangifte.[8]

De rechtbank stelde vast dat de belastingschuld op 31 december 2015 is ontstaan.[9] Dit bracht mee dat de inspecteur de aanslag op uiterlijk 31 december 2018 kon vaststellen, tenzij uitstel was verleend. Belanghebbende had de stellingen van de inspecteur dat door of namens hem om uitstel voor het doen van de aangifte was verzocht en dat dit uitstel ook was verleend, gemotiveerd betwist.

Bewijslastverdeling

De rechtbank was scherp op de bewijslastverdeling. In het geval een belastingplichtige betwist dat door of namens hem om uitstel voor het indienen van de aangifte is verzocht, dient de inspecteur ter voldoening aan de op hem rustende bewijslast meer bewijs in te brengen dan het enkel noemen van het beconnummer waarmee om het uitstel zou zijn verzocht. Van de inspecteur mag dan worden verwacht dat hij (een kopie van) het uitstelverzoek en van de beslissing waarmee het uitstel is verleend in het geding brengt, of een andere wijze aannemelijk maakt dat door de belastingplichtige om uitstel is verzocht en dat dit uitstel is verleend. In de praktijk zien wij vaak dat Belastingdienst als bewijs een screenshot van het interne computersysteem in het dossier voegt, waaruit zou blijken dat er beconuitstel is verleend.

In de gedingstukken was echter geen kopie van het verzoek tot uitstel voor het doen van de aangifte opgenomen. Een kopie van de beslissing waarmee dit uitstel zou zijn verleend behoorde ook niet tot de gedingstukken. Voor de rechtbank was op geen andere wijze uit de gedingstukken af te leiden dat destijds uitstel was verleend.[10]

De rechtbank was vervolgens van oordeel dat de inspecteur – tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende – niet aannemelijk had gemaakt dat door of namens belanghebbende is verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte. Het enkel noemen van een beconnummer ter zitting, waarvan de juistheid overigens door belanghebbende wordt betwist, was daartoe in ieder geval onvoldoende.

Niet tijdig? Vernietiging aanslag!

De laatste dag waarop de aanslag kon worden opgelegd was 31 december 2018. De dagtekening van de aanslag is 18 oktober 2019. Deze was daarmee buiten de drie-jaarstermijn vastgesteld. De aanslag was simpelweg niet tijdig opgelegd. Nu het beroep dankzij dit formele verweer gegrond was, behoefden de overige materiële grieven over de correcties geen behandeling meer.

Deze zaak zou op het eerste gezicht hebben geleid tot een complexe discussie over de getaxeerde waarde van de activa. Het zou voor de belastingplichtige in het gunstigste geval hebben geleid tot een beperkte vermindering van de aanslag. Dankzij het formele verweer dat de gemachtigde in stelling had gebracht over de tijdigheid van de aanslagregeling is uiteindelijk de gehele aanslag vernietigd.

Kortom: verweer voeren tegen fiscale vormfouten loont! Mogelijk zal de inspecteur hoger beroep instellen om alsnog nieuwe bewijsstukken in te brengen. Het zou de Belastingdienst wel sieren om zich bij dit oordeel neer te leggen.

 

[1] Zie overzichtsarresten 359a Sv, Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889.
[2] Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 augustus 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:4622.
[3] De inspecteur heeft bij brief van 28 februari 2016 belanghebbende uitgenodigd voor het doen van aangifte IB 2015. De activa waren in 2015 tegen een boekwaarde van € 121.171 naar het privévermogen gegaan. Belanghebbende heeft vervolgens aangifte IB/PVV 2015 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 86.253 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.812.
[4] Opgebouwd uit: Ondergrond bedrijf (circa 5.000 m2) € 105.000,- Bedrijfsopstallen € 54.000,- Overige landbouwgronden (04.09.31 ha) € 410.000,- Totaal € 569.000,-”.
[5] Uit de verstrekte informatie zou blijken dat alle activa naar het privévermogen zijn overgegaan. In de stakingswinstberekening was uitgegaan van het feit dat de boekwaarden van de gronden gelijk zijn geweest aan de agrarische waarden, zodat er van een belaste boekwinst geen sprake is geweest. Enkel over een kweekkastje werd een belaste boekwinst gerealiseerd.
[6] Er werd een correctie van € 125.000 aan winst uit onderneming opgelegd. In box 3 werd een correctie opgelegd van € 328.362 voor de hogere waarde van de landbouwgrond (waarde overige onroerende zaken).
[7] Vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 217.739 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 26.946.
[8] Het gaat om het verleende uitstel, niet het uitstel wat daadwerkelijk is gebruikt of benut.
[9] Op grond van artikel 11, lid 4, AWR, wordt de belastingschuld geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop het tijdvak waarover de belasting wordt geheven eindigt.
[10] Indien dergelijke bewijsstukken binnen de Belastingdienst niet (meer) beschikbaar zijn en de inspecteur ook niet op een andere wijze bewijs kan leveren, behoren de gevolgen daarvan voor rekening van de inspecteur te komen.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. R.J. (Reinder) de Jong