In een door ons gevoerde procedure is voor het eerst door een fiscale rechter beslist dat een inspecteur zich niet langer kan beperken tot het geven van een cautie[1] bij het stellen van vragen die gericht zijn op een boeteoplegging. Op straffe van bewijsuitsluiting moet een belastingplichtige in een fiscaal verhoor óók en op voorhand gewezen worden op het recht op bijstand. Dit als onderdeel van de te respecteren verdedigingsrechten.
Recht op verhoorbijstand bij fiscale boetes
Op 20 september jl. volgde het Hof Arnhem Leeuwarden[2] ons verweer dat bij een verhoor geen onderscheid mag bestaan tussen de verdedigingsrechten van een verdachte in het strafrecht en een boeteling in het fiscale recht. Met dit arrest is bevestigd dat de inspecteur, ondanks dat deze geen opsporingsambtenaar is, wel gebonden is aan de uitleg van de artikelen 6 van het EVRM, 47 en 48 van het Handvest.
Uit deze artikelen volgt dat een vergrijpboete is aan te merken als het instellen van strafvervolging (‘criminal charge’) en dat daarmee de waarborgen van artikel 6 van het EVRM van toepassing zijn, evenals de waarborgen van de artikelen 47 en 48 van het Handvest.
Gelet op artikel 6 van het EVRM en de artikelen 47 en 48 van het Handvest in combinatie met de uitleg die de Uniewetgever daaraan geeft in de Richtlijnen 2012/13/EU en 2013/48/EU en de uitleg die ook onze nationale wetgever daaraan geeft in artikel 27c, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering[3] moet een belastingplichtige op het moment dat zij als verdachte wordt aangemerkt (naast de cautie) ook op haar recht op rechtsbijstand gewezen worden. Overigens gelden deze verdedigingsrechten niet alleen voor natuurlijke personen, maar ook voor vertegenwoordigers voor rechtspersonen.
De verplichting om een belastingplichtige op haar verdedigingsrechten te wijzen is tot op heden een unicum in de fiscale jurisprudentie en vormt extra rechtsbescherming tegen de inspecteur die namens de overheid bezig is met het opsporen van strafbare of beboetbare feiten. De verdedigingsrechten staan daarmee – terecht – op de fiscale kaart.[4]
Verdedigingsrechten
De inspecteur is gehouden om aan de verplichtingen op grond van artikel 6 van het EVRM en de artikelen 47 en 48 van het Handvest gehoor te geven. Dat past ook in de door de Hoge Raad gekozen lijn.
Volgens de Hoge Raad dient de inspecteur bij het vergaren van het bewijs van een beboetbaar feit immers de waarborgen in acht te nemen die de belastingplichtige kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het EVRM (en daarmee ook de artikelen 48 en 49 van het Handvest).[5] Deze waarborgen betekenen dat:
- de bewijslast voor het opleggen van een boete op de inspecteur rust;
- belastingplichtige in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund;
- de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan én – in aanvulling hierop –;
- belastingplichtige vóór een verhoor gewezen moet worden op zijn verdedigingsrechten, zoals het zwijgrecht en het recht op verhoorbijstand.
Een boete gekregen én niet gewezen op verhoorbijstand?
Bij deze stand van zaken is het duidelijk dat, vóórdat de inspecteur overgaat tot het stellen van “boete-vragen”, hij de belastingplichtige moet wijzen op de mogelijkheid van rechtsbijstand. Aarzel dus niet om hier een beroep op te doen als de inspecteur de cautie geeft, maar geen gelegenheid biedt om bijstand te regelen.
Wordt een verklaring afgelegd, terwijl de belastingplichtige niet op deze rechten is gewezen, dan is het uitgangspunt dat deze verklaring voor het bewijs van de boete moet worden uitgesloten.
Is in het verleden een boete opgelegd? En is het bewijs (mede) gebaseerd op verklaringen, terwijl er niet gewezen is op het recht op verhoorbijstand? Dan kan op dit punt (dus) verweer gevoerd worden. Want, net als in het strafrecht, geldt het uitgangspunt dat deze belastende verklaring dan van het bewijs moet worden uitgesloten.
Wij kunnen u veel meer vertellen over de toepassing van de verdedigingsrechten in de praktijk en het belang hiervan in een (lopende) procedure. Als u nader van gedachten wilt wisselen, kunt u contact opnemen met Ron Jeronimus.
[1] Cautie is de mededeling aan de betrokkene dat hij niet verplicht is tot antwoorden.
[2] De uitspraak van het gerechtshof is nog niet gepubliceerd en staat nog niet onherroepelijk vast.
[3] Dit betreft het artikel dat aan de verdachte die niet is aangehouden voorafgaand aan zijn eerste verhoor mededeling wordt gedaan van het recht op rechtsbijstand.
[4] Zie hierover ook mijn Hertoghs Beschouwt #263 De Awb schiet te kort: doe een beroep op het Handvest bij een boeteverhoor.
[5] HR 8 april 2022, nr. 20/02638, ECLI:NL:HR:2022:526_