Spring naar content

#344 ‘Collateral damage’: de Wet Bibob

15 januari 2024

De Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur (Wet Bibob) wordt door overheidsorganen in toenemende mate ingezet. De bevoegdheden om informatie te verkrijgen over de betrokkene en diens relevante relaties zijn steeds verder uitgebreid. Als uit die informatie blijkt dat ernstig gevaar dreigt omdat bijvoorbeeld een vergunning wordt misbruikt, is het mogelijk dat de bevoegde overheidsinstantie de aanvraag weigert of de afgegeven vergunning of subsidie intrekt. Deze ‘collateral damage’ kan het gevolg zijn van een onderzoek door de Belastingdienst of het Openbaar Ministerie. Daarvoor is het enkele vermoeden van een strafbaar feit al voldoende.

Justitiële én fiscale gegevens

Op basis van de Wet Bibob verricht een overheidsorgaan een eigen Bibob-onderzoek. Daarvoor kan deze instantie informatie uit openbare bronnen en verstrekte informatie op grond van Bibob-vragenformulieren gebruiken. Het overheidsorgaan kan ook informatie uit gesloten bronnen verkrijgen. Dan gaat het om politiegegevens over de betrokkene en justitiële documentatie over de betrokken rechtspersoon, bestuurder, leidinggevenden en partijen die zeggenschap hebben. Informatie over lopende onderzoeken van het Openbaar Ministerie vallen hier niet onder; het overheidsorgaan kan dergelijke gegevens niet opvragen. HIervoor moet het Landelijk Bureau Bibob (LBB) naar het Openbaar Ministerie. Overigens kunnen het Openbaar Ministerie en het LBB wel een tip geven aan een overheidsorgaan als zij over gegevens beschikken die erop duiden dat een betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten.

Maar daar blijft het niet bij. Sinds 1 oktober 2022 zijn de manieren om informatie te delen in het kader van het Bibob-onderzoek door het overheidsorgaan uitgebreid, zoals opgenomen op de factsheet[1]. Zo kan het overheidsorgaan op basis van artikel 7c Wet Bibob ook fiscale gegevens van derden krijgen, meer specifiek informatie over vergrijpboetes die zijn opgelegd op basis van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van artikel 3 Wet Bibob wegen dergelijke boetes mee in de beoordeling of een (ernstig) gevaar bestaat dat een beschikking, vastgoedtransactie of overheidsopdracht mede gebruikt zal worden om ‘criminele voordelen te benutten’ of om ‘strafbare feiten te plegen’. Volgens vaste jurisprudentie mogen bestuursorganen een opgelegde bestuurlijke boete als uitgangspunt nemen zodra een boetebesluit in werking is getreden. Dit hoeft dus niet onherroepelijk vast te staan.

De tipbevoegdheid is destijds eveneens uitgebreid. Ook overheidsorganen onderling kunnen tips geven over betrokkenen. Artikel 28 van de Wet Bibob bevat wel een stevige geheimhoudingsplicht. Enkel in de daarin omschreven uitzonderingen kan informatie worden gedeeld met derden. De Hoge Raad heeft overigens in het arrest van 17 februari 2023[2] geoordeeld dat aan die bepaling geen verschoningsrecht kan worden ontleend. Naast de wettelijk beschreven uitzonderingssituaties, kan in de situatie van een voorlopig getuigenverhoor dus ook de situatie ontstaan dat over de inhoud van een Bibob-onderzoek moet worden verklaard.

Vermoeden strafbaar feit

Het invullen van Bibob-formulieren van een overheidsorgaan blijkt in de praktijk een kwestie waarover de aanvrager van een vergunning lelijk over kan uitglijden. Recentelijk oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State[3] (hierna: Afdeling) over een zaak waarin sprake was van feiten en omstandigheden die deden vermoeden dat valsheid in geschrifte was gepleegd om de aangevraagde drank- en horecawetvergunning te verkrijgen, namelijk door het foutief invullen van het Bibob-formulier (artikel 3 lid 6 Wet Bibob). Op het formulier was ingevuld dat de afgelopen vijf jaar geen fiscale verzuim- en vergrijpboetes waren opgelegd. Maar dat was onjuist. Een van de vennoten bleek wel fiscale boetes te hebben ontvangen in de vijf jaar voorafgaand aan de vergunningaanvraag.

De Afdeling overweegt dat de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van de feiten en omstandigheden. Die moeten erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene iets te maken heeft met de strafbare feiten die relevant zijn voor de activiteiten waarvoor de vergunning is aangevraagd.

In relatie tot de fiscale vergrijpboetes stelt de Afdeling dat het betoog dat sprake is van enkel een fiscaal probleem niet slaagt. De Afdeling overweegt dat het bestuursorgaan op basis van vaste rechtspraak van het advies van het LBB mag uitgaan, zolang het advies en het onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De Afdeling geeft hierbij aan: “Gelet op de in het advies aangevoerde onderbouwing en de constatering dat vergrijpboetes zijn opgelegd voor deze feiten, mocht de burgemeester van de juistheid hiervan uitgaan. [De vennoot] heeft hier tegenin gebracht dat de fiscale fouten het gevolg zijn van nalatig handelen door de door hem ingeschakelde boekhouder. Dit komt echter voor risico van [appellante] en doet aan de constateringen van het LBB niet af.”

In relatie tot het Bibob-formulier stelt de Afdeling dat het verweer dat geen sprake is van een strafrechtelijke bewezenverklaring evenmin slaagt. Net als de rechtbank overweegt de Afdeling dat terecht is overwogen dat een vermoeden bestaat dat valsheid in geschrift is gepleegd. Dit volgt uit het advies van het LBB. Omdat de fiscale boetes niet op het formulier zijn opgenomen, bestaat het vermoeden dat de aanvragen valselijk zijn opgemaakt. Van een aangifte of strafrechtelijke veroordeling hoeft geen sprake te zijn (zie ook artikel 3, lid 6, van de Wet Bibob).

Onschuldpresumptie

Op dit punt is de rechtspraak onverbiddelijk. Het advies van het LBB is leidend als het gaat om vermoedens van strafbare feiten. Uit jurisprudentie [4] van de Strafkamer van de Hoge Raad blijkt dat het foutief invullen van een Bibob-formulier niet zonder meer leidt tot een bewezenverklaring van valsheid. Dat zou overigens wat mij betreft anders moeten zijn als een vrijspraak voor valsheid in geschrift onherroepelijk is ten tijde van de beoordeling van de aanvraag van de vergunning.

Het weigeren van de vergunning in verband met het vermoeden van een strafbaar feit zal voor betrokkenen als een fikse straf voelen. Niettemin heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Bingöl tegen Nederland[5] geoordeeld dat het weigeren van een vergunning op grond van de Wet Bibob geen criminal charge is en daarmee niet in strijd met de onschuldpresumptie ex artikel 6 EVRM. Alertheid blijft dus geboden als het gaat om het toepassingsbereik van de Wet Bibob. Bij zowel fiscale boete-onderzoeken als bij strafrechtelijk onderzoek is het goed om in een vroegtijdig stadium rekening te houden met de mogelijke gevolgen van de Wet Bibob.

  1. Factsheet ‘De gewijzigde Wet Bibob per 1 oktober 2022‘ (justis.nl)
  2. ECLI:NL:HR:2023:255, Hoge Raad, 22/00623, 22/00632
  3. Uitspraak 202205648/1/A3 – Raad van State
  4. ECLI:NL:HR:2021:801, Hoge Raad, 20/00430
  5. Bingöl tegen Nederland 18450/07 HUDOC – European Court of Human Rights

 

 

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. G.M. (Mariëlle) Boezelman