Spring naar content

#361 Mensenrechten en belastingheffing: nog geen dialoog tussen Hoge Raad en EHRM

13 mei 2024

In belastingzaken komen de mensenrechten regelmatig om de hoek kijken. Bekend is natuurlijk het Kerstarrest waarin de Hoge Raad de box 3-heffing in strijd achtte met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod. Ook de heffing als gevolg van de wet excessief lenen komt daar mijns inziens voor in aanmerking.

Daarnaast speelt het recht op privacy in belastingzaken een rol, zoals bij informatieverzoeken van de Belastingdienst en het gebruik van de Fraude Signalering Voorziening (FSV). Verder zijn de rechten die met artikel 6 EVRM worden gewaarborgd belangrijk zodra een fiscale boete in beeld komt. Kortom de mensenrechten mogen niet uit het oog worden verloren in fiscale (boete)zaken.

De Hoge Raad kan voor de uitleg van het mensenrechtenverdrag advies vragen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Onze hoogste rechter heeft van die mogelijkheid echter nog geen gebruik gemaakt. De rechtspraktijk zou hier meer aandacht voor kunnen vragen. Ik bespreek een recent besluit van het EHRM van 19 februari 2024[1] waarin richtlijnen voor een adviesvraag zijn gegeven.

Mensenrechten: EHRM of HvJ EU

De mensenrechten worden gewaarborgd in het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Bij een schending van het EVRM kan een klacht worden ingediend bij het EHRM. Dat kan pas als tot aan de hoogste instantie is geprocedeerd.

Sinds 1 juni 2019 is daar een mogelijkheid bijgekomen. De Hoge Raad kan nu advies vragen aan het EHRM. Daar ga ik dadelijk nader op in. De rechten die in het EVRM worden gewaarborgd zijn namelijk grotendeels overgenomen in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Dat biedt een mogelijkheid om al in een eerder stadium een oordeel van de Europese rechter (in dat geval het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU)) te krijgen over de uitleg van de mensenrechten. Ook de lagere rechter kan namelijk prejudiciële vragen stellen aan het HvJ EU, dit is niet voorbehouden aan de Hoge Raad. Daarvoor is dan wel nodig dat het belastinggeschil ziet op het EU-recht. Dat is het geval als een wet op grond van een richtlijn is geïmplementeerd of als verdragsvrijheden van toepassing zijn, zoals vrij verkeer van vestiging of kapitaal

Adviesvraag aan EHRM (advisory opinion)

Sinds 1 juni 2019 heeft de Belastingkamer van de Hoge Raad de mogelijkheid om advies te vragen aan het EHRM. Op basis van het 16e Protocol bij het EVRM kunnen de hoogste nationale rechters zogenoemde ‘advisory opinions’ aan het EHRM vragen. De adviesvraag moet gaan over principiële rechtsvragen met betrekking tot de interpretatie of toepassing van de rechten en vrijheden, neergelegd in het EVRM of de daartoe behorende protocollen. Ook moet het gevraagde advies relevant zijn in een aanhangige zaak. De Hoge Raad heeft tot op heden nog geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

Ik vraag mij af of de Hoge Raad dat niet toch zou moeten doen, gelet op de rechtsbescherming van de belastingplichtige. Een klacht indienen bij het EHRM vergt namelijk een lange adem, omdat dat pas kan nadat de Hoge Raad arrest heeft gewezen. Deze procedure kan worden verkort als de Hoge Raad binnen de cassatieprocedure advies vraagt aan het EHRM. Die adviesvraag is wel aan strikte voorwaarden gebonden. Dit blijkt ook uit de door het EHRM opgestelde richtsnoeren[2] en het besluit van 19 februari 2024 van het panel van de Grote Kamer van het EHRM om de adviesvraag niet in behandeling te nemen.

EHRM 19 februari 2024: principiële vraag

Op 19 februari 2024 heeft het panel van de Grote Kamer van het EHRM een besluit genomen naar aanleiding van een adviesvraag van Estland. De vraag gaat over de uitleg van artikel 4, zevende Protocol bij het EVRM. Daarin is het zogenoemde ne bis in idem-beginsel vastgelegd, dat inhoudt dan niemand opnieuw wordt berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld. De vraag van Estland ziet op de uitleg van het begrip ‘vrijspraak’. Het EHRM gaat allereerst na of aan de voorwaarden voor de adviesvraag is voldaan (artikel 1 van het zestiende Protocol bij het EVRM). Onderzocht wordt of is voldaan aan de voorwaarde dat het verzoek betrekking heeft op principiële vraagstukken over de uitleg of toepassing van het EVRM. Het EHRM merkt op dat de adviesprocedure niet bedoeld is om het geschilpunt te laten beslechten, maar om een leidraad te geven voor de behandeling van verdragsvraagstukken.

Bij de beoordeling of sprake is van een principiële vraag wordt getoetst of bijvoorbeeld vanwege de nieuwheid of ingewikkeldheid het advies nodig is om de mensenrechten te kunnen waarborgen. Het EHRM onderzoekt in de zaak van Estland, of daarvan sprake is, en bespreekt in de onderdelen 22 tot en met 29 de jurisprudentie waarin de uitleg van het begrip ‘vrijspraak’ aan bod is gekomen. Vervolgens overweegt het EHRM dat de vraag onderwerp is van haar vaste rechtspraak. Een nadere uitwerking van de door het EHRM ontwikkelde beginselen acht het EHRM niet nodig voor de beslissing in de betreffende zaak. Het EHRM komt tot de conclusie dat het verzoek geen principiële vraag is in de zin van artikel 1, lid 1 van het zestiende Protocol bij het EVRM. De vraag hoeft niet door de Grote Kamer van het EHRM te worden onderzocht en het verzoek wordt niet geaccepteerd.

Toepassing door de Belastingkamer: FSV en verhoorbijstand

Inmiddels zijn door andere landen in totaal 42 adviesvragen bij het EHRM ingediend, zo blijkt uit de website van het EHRM.[3] De Belastingkamer van de Hoge Raad heeft van deze mogelijkheid nog geen gebruik gemaakt. De Hoge Raad acht de uitleg, die het EHRM aan de van toepassing zijnde EVRM-bepalingen geeft, kennelijk duidelijk genoeg.

Neem bijvoorbeeld de schending van het recht op privacy bij het gebruik van de FSV door de Belastingdienst. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft vastgesteld dat het recht op privacy is geschonden. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat de schending van de persoonlijke levenssfeer door de verwerking van persoonsgegevens geen gevolgen heeft voor de belastingheffing. Pas als door de belastingplichtige wordt bewezen dat de persoonsgegevens in een databank zijn opgeslagen op basis van een criterium dat leidt tot schending van een grondrecht, zoals het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging, kan dit tot gevolg hebben dat de belastingheffing wordt teruggedraaid[4]. Daarmee krijgt de belastingplichtige een onmogelijke opdracht, omdat in de praktijk blijkt dat het niet mogelijk is om boven water te krijgen wat de reden van registratie in de FSV is geweest. Het feit dat iemand in de systemen van de Belastingdienst wordt aangemerkt als fraudeur, zonder dat duidelijk wordt waar dat op gebaseerd is, kan niet door de grondrechtelijke beugel. Van een privacy schending die zonder gevolgen kan blijven, mag dan geen sprake zijn.

De Hoge Raad heeft hier mijns inziens een kans laten liggen door arrest te wijzen en geen advies te vragen aan het EHRM. Te meer nu dit een principiële vraag is. De belastingplichtigen zullen dit nu zelf door middel van een klacht moeten aankaarten bij het EHRM. Wat mij betreft moet schending van het recht op privacy (8 EVRM) in ieder geval worden aangevoerd.

Ook ligt de vraag bij de Hoge Raad voor of de potentiële boeteling die wordt verhoord moet worden gewezen op het recht op verhoorbijstand door een raadsman. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de potentiële boeteling bij het geven van de cautie ook op het recht op bijstand bij het verhoor moet worden gewezen. De staatssecretaris heeft cassatie ingesteld en voorgesteld advies te vragen aan het EHRM. Wellicht wordt in die procedure advies gevraagd aan het EHRM over de vraag of in fiscale boetezaken op het recht op bijstand bij een verhoor moet worden gewezen. Uit de recent genomen conclusie van A-G Wattel blijkt in ieder geval dat deze vraag nieuw is.[5]

Tot slot

De advisory opinion is bedoeld voor principiële vragen over verdragsbepalingen of protocollen waarvan de uitleg nog niet duidelijk is. Dat is in fiscale zaken vaker het geval dan wellicht lijkt, denk daarbij ook aan boetezaken. Het is dan ook aan de praktijk om de Hoge Raad daarop te wijzen en indien het Unierecht van toepassing is bij de feitenrechter aandacht te vragen voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU over de uitleg van de grondrechten in het Handvest. De mensen- en grondrechten zijn er immers voor de rechtsbescherming van de belastingplichtigen.

 

[1] Besluit van 19 februari 2024, aanvraagnr. P16-2023-002.
[2] Guidelines on the implementation of the advisory-opinion procedure introduced by Protocol No. 16 to the Convention
[3] https://hudoc.echr.coe.int
[4] HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748, NLF 2021/2419 met noot van Angelique Perdaems.
[5] Conclusie A-G Wattel van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:457.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. A.J.C. (Angelique) Perdaems