Spring naar content

#389: De belastingrente is onevenredig hoog

06 januari 2025

Tegen de hoge belastingrente is de afgelopen jaren diverse malen – tot onze spijt tevergeefs – verweer gevoerd voor de belastingrechter. Al eerder hebben wij in Hertoghs Beschouwt de belastingrente niet voor niets ‘woekerrente’ genoemd.

Rechtbank Noord-Nederland heeft afgelopen november de knuppel in het hoenderhok gegooid. Deze rechtbank koos de zijde van belastingplichtige en zette een streep door de 8% belastingrente voor de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb). Rechtbank Zeeland-West-Brabant liet diezelfde maand helaas de 8% belastingrente wel in stand onder het mom ‘de wet is de wet’.

Wat ons betreft is het spel nu op de wagen. De vraag is vooral: hoe serieus neemt onze (hoogste) belastingrechter het evenredigheidsbeginsel? In deze beschouwing zetten we deze uitspraken naast elkaar en reflecteren wij op de bredere implicaties voor belastingplichtigen.

Rechtbank Noord-Nederland: 8% is onevenredig

Op 7 november 2024 heeft de Rechtbank Noord-Nederland[1] een baanbrekende uitspraak gedaan. De (meervoudige kamer van de) rechtbank oordeelde dat het hanteren van een belastingrentepercentage van 8% voor de Vpb in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Dit beginsel, dat voortvloeit uit artikel 3:4, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), vereist dat een bestuursorgaan een redelijke afweging maakt tussen het nagestreefde doel en de nadelige gevolgen voor betrokkenen.

De rechtbank wijst op een belangrijke discrepantie tussen het tarief van de belastingrente en de actuele marktrente. Terwijl de belastingrente oorspronkelijk was bedoeld om belastingplichtigen te prikkelen tot tijdige betaling, lijkt het hoge percentage van 8% niet langer in verhouding te staan tot de economische realiteit.

De rechtbank oordeelt dat de duidelijke en aanzienlijke nadelige gevolgen voor Vpb-belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de onduidelijke doelen van regel, die bovendien op een zwak fundament rusten. Dit komt doordat de gedachte achter de wettelijke rente van de wetgever geen hout snijdt. Een schuld die ontstaat uit een belastingwet is niet vergelijkbaar met handelstransacties in het commerciële verkeer waarbij een factuur wordt verzonden en een hogere rente gebruikelijk is.

Ook slaat het volgens de rechtbank nergens op dat de belastingrenteregeling gebaseerd is op de verzuimrenteregeling in het bestuursrecht. Dit omdat bij betalingsverzuim al invorderingsrente is verschuldigd en de belastingrente bedoeld is om het niet tijdig of niet correct doen van aangifte tegen te gaan. De rechtbank heeft de belastingrente verlaagd naar 4%.

Wij vinden het moedig van de rechtbank om de belastingrente aan te pakken met toepassing van het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank heeft zijn uitspraak ook uitvoerig en gedegen gemotiveerd, De toepassing van dit beginsel heeft in de toeslagenaffaire ervoor gezorgd dat de strikt legistische – ‘de wet is de wet’ – benadering in bepaalde (bijzondere) omstandigheden opzij kan worden gezet door het evenredigheidsbeginsel.[2]

Het door de rechtbank gekozen percentage van 4% past ook precies bij het (zelfde) rentepercentage dat per 1 januari 2024 voor de invorderingsrente geldt.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant: 8% is gerechtvaardigd

In een uitspraak van 29 november 2024 kwam de (enkelvoudige kamer van de) Rechtbank Zeeland-West-Brabant[3] tot een heel andere conclusie. [4] De rechtbank oordeelde dat de belastingrente van 8% binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever valt. Daarbij wees de rechtbank op de keuze om het percentage voor de Vpb te koppelen aan de wettelijke rente voor handelstransacties, zoals vastgelegd in artikel 29 van de Invorderingswet 1990. De rechtbank benadrukte dat de wetgever beleidsvrijheid heeft bij het vaststellen van tarieven, zolang deze niet evident onredelijk zijn. Bovendien werd betoogd dat belastingplichtigen door een tijdige en juiste aangifte het ontstaan van belastingrente in de meeste gevallen kunnen voorkomen.

De rechtbank concludeerde dat er geen schending was van het recht op eigendom, zoals dat wordt beschermd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Volgens de rechtbank wordt het eigendomsrecht van belastingplichtigen niet disproportioneel beperkt door de hoogte van de belastingrente.

Wat ons onder meer tegen de borst stuit in deze beslissing van Rechtbank-Zeeland-West-Brabant is de rechtvaardiging van de prikkel om via rente ervoor te zorgen dat belastingplichtigen tijdig hun verplichtingen nakomen. Daar hebben we immers verzuimboetes voor. De verschuldigdheid van rente is de vergoeding voor het nog niet kunnen beschikken over dat geld door de overheid. En daarin hoor je als overheid niet te overvragen door een absurd hoge rente. Dit kan leiden tot een gevoel van onrechtvaardigheid bij belastingplichtigen en ondermijnt het vertrouwen in de overheid.

Wat nu?

In elk geval bezwaar maken tegen aanslagen vennootschapsbelasting waarin belastingrente (op dit moment 8%) is begrepen. Die situatie doet zich voor als aangifte wordt gedaan na 1 mei van het daaropvolgende jaar. De belastingrente voor andere belastingmiddelen zoals inkomsten-, omzet- en erfbelasting bedraagt 7,5%. Ook daar raden wij aan bezwaar te maken. Dit evenredigheidsbeginsel geldt in onze optiek in principe voor alle belastingrentes.

Omdat het belastingrentetarief voor inkomsten-, omzet- en erfbelasting ook significant hoger is dan de marktrente, zou dit een vergelijkbaar argument opleveren om het tarief als onredelijk te betwisten. Vanaf 1 januari 2024 is de belastingrente niet langer gekoppeld aan de marktrente maar aan de herfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank. Voor de vennootschapsbelasting wordt de herfinancieringsrente verhoogd met 5,5 procentpunt en voor de overige belastingen zoals omzet-, loon- en erfbelasting met 3 procentpunt.

Aangezien de berekening van belastingrente aansluit bij de jaren waarover deze is verschuldigd, blijft het argument van de evenredigheid sowieso gelden voor de jaren voor 2024, maar ook voor de nieuwe wijze van berekening met de ophoging van 5,5, respectievelijk 3 procentpunt.

De uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland geeft enerzijds hoop op een verlaging van de belastingrente en anderzijds bevestigt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant dat de huidige wetgeving standhoudt. Het bekende laatste woord is in deze kwestie nog lang niet uitgesproken. Ervan uitgaande dat hoger beroep is ingesteld in beide zaken, zijn wij benieuwd hoe de (verschillende) gerechtshoven (Hof Arnhem-Leeuwarden en Hof Den Bosch) zullen oordelen, of dat via sprongcassatie versneld een oordeel van de Hoge Raad uitsluitsel zal geven.

Conclusie

De recente uitspraken van de Rechtbank Noord-Nederland en de Rechtbank Zeeland-West-Brabant over de belastingrente in de vennootschapsbelasting illustreren een belangrijk spanningsveld tussen evenredigheid en beleidsvrijheid. De uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland biedt belastingplichtigen een hoopvol perspectief, terwijl de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant het standpunt van de wetgever bevestigt.

Deze rechtsonzekerheid vraagt om een heldere en definitieve uitspraak van onze hoogste rechter. Tot die tijd doen belastingplichtigen er goed aan om bezwaar te maken tegen opgelegde belastingrente voor alle belastingmiddelen.

 

[1] Rechtbank Noord-Nederland van 7 november 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4361.
[2] Raad van State, Afdeling Bestuursrechtspraak van 23 oktober 2019, ECLI-nummer ECLI:NL:RVS:2019:3535.
[3] Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 november 2024 ECLI:NL:RBZWB:2024:8217.
[4] Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 november 2024 ECLI:NL:RBZWB:2024:8217.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. R. (Roelof) Vos