Spring naar content

#439 Fiscale informatieverzoeken versus privacy: tijd voor een correctie

30 januari 2026

De uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 8 januari 2026 markeert een belangrijke kentering in de beoordeling van fiscale informatieverzoeken die diep ingrijpen in het privéleven van burgers. In Hertoghs Beschouwt #437 is uitgebreid stilgestaan bij de feiten van de Italiaanse zaak en het oordeel van het Hof. In deze bijdrage ga ik dieper in op de gevolgen van de uitspraak voor de Nederlandse praktijk. Hoe past deze uitspraak in de huidige digitale samenleving waarin onbegrensde informatieverzoeken de privacy van belastingplichtigen steeds verder uithollen?

Die vraag stelden wij ons al in 2022. Toen concludeerden wij dat het recht op privacy bij informatieverzoeken van de Belastingdienst steeds verder onder druk was komen te staan. De wettelijke informatiebevoegdheden zijn ruim geformuleerd, de rechterlijke toetsing is terughoudend en effectieve waarborgen ontbreken vaak. De recente uitspraak van het EHRM bevestigt dat deze analyse niet achterhaald is, maar juist actueler dan ooit.

Privacy en fiscale informatieverzoeken: het structurele spanningsveld

De Belastingdienst verzamelt informatie om een juiste belastingheffing te waarborgen. Op basis van de artikelen 47 en 53 AWR kan de inspecteur informatie opvragen die van belang kan zijn voor de belastingheffing. De reikwijdte daarvan is groot: verzoeken omvatten onder meer privébankafschriften en telefoongegevens. Ook wordt deze informatie via derdenonderzoeken rechtstreeks opgevraagd bij banken of telecomproviders.

Dat het opvragen van informatie door de Belastingdienst bij de belastingplichtige of bij administratieplichtigen een inbreuk vormt op het recht op privacy, moge duidelijk zijn. In een digitale samenleving waarin nagenoeg iedere beweging, betaling en communicatie wordt geregistreerd, kan een informatieverzoek een vergaand en gedetailleerd beeld geven van iemands privéleven. Volgens vaste EHRM-jurisprudentie is een dergelijke inbreuk alleen toegestaan indien zij berust op een voldoende precieze wettelijke grondslag, een legitiem doel dient en gepaard gaat met adequate en effectieve waarborgen tegen willekeur en misbruik.

De Hoge Raad heeft zich regelmatig uitgelaten over informatieverzoeken die ver gaan. Tot op heden doorstaan deze doorgaans de privacy toets. Nu het EHRM de Italiaanse belastingdienst een duidelijke correctie oplegt, rijst de vraag of deze lijn nog houdbaar is. Dit gelet op de parallellen tussen het Italiaanse en Nederlandse systeem.

De correctie van het EHRM

Hoewel de Italiaanse wet formeel een grondslag bood voor het opvragen van bankgegevens, achtte het EHRM die grondslag onvoldoende voorzienbaar en onvoldoende begrensd. Doorslaggevend was dat de bevoegdheid in de praktijk vrijwel onbeperkt kon worden ingezet en dat effectieve rechterlijke of onafhankelijke toetsing ontbrak, zowel vooraf als achteraf.

Belangrijk is dat het Hof hiermee expliciet afstand neemt van het idee dat een ruime wettelijke bevoegdheid, gecombineerd met een algemeen fiscaal doel, voldoende is om een vergaande privacy-inbreuk te rechtvaardigen. Naarmate de aard van de informatie gevoeliger is – zoals bankafschriften – moeten de wettelijke grenzen scherper zijn en de waarborgen concreter en effectiever. Het recht op privacy van belastingplichtigen prevaleert boven de controlemogelijkheden van de Belastingdienst, indien deze niet met voldoende waarborgen omkleed zijn.

Wie deze maatstaf naast de Nederlandse praktijk legt, kan zich moeilijk aan de indruk onttrekken dat ook hier sprake is van onbegrensde informatieverzoeken. De artikelen 47 en 53 AWR kennen de inspecteur een nagenoeg onbeperkte discretionaire bevoegdheid toe nu de enige restrictie is dat de verzochte informatie voor de belastingheffing van belang kan zijn. Deze wettelijke grondslag is zo ruim dat het neigt naar een wassen neus. Met een beetje creativiteit kan ten aanzien van nagenoeg alle informatie namelijk gesteld worden dat er een mogelijk fiscaal belang is.

Ook ontbreken in Nederland zowel vooraf als achteraf naar mijn mening adequate en effectieve waarborgen. De belastingplichtige die de (omvang van) een informatieverzoek op grond van artikel 47 AWR betwist, is afhankelijk van de keuze van de inspecteur of—en zo ja bij welke rechter—toetsing plaatsvindt. Het initiatief hiervoor ligt namelijk bij de inspecteur die bepaalt of hij de informatie civiel afdwingt of een informatiebeschikking vaststelt. Wil de belastingplichtige het zover laten komen moet hij wel eerst de dreiging van mogelijke strafrechtelijke vervolging doorstaan.[1] In hoeverre is nog sprake van adequate en effectieve waarborgen als gedreigd wordt met het strafrecht?

Daar komt bij dat de inspecteur bij het opvragen van bijvoorbeeld bankafschriften ook gewoon de belastingplichtige kan passeren door zich rechtstreeks tot de bank te wenden.[2] In dat geval kan de belastingplichtige het informatieverzoek helemaal niet laten toetsen door een rechter en ontdekt hij de inbreuk op zijn privacy pas als het kwaad al is geschied. De toetsing achteraf vindt dan plaats bij de beoordeling van de aanslag waarbij zelden wordt geconcludeerd dat de inspecteur zijn boekje zodanig te buiten is gegaan dat de aanslag van tafel gaat.

Ook voor administratieplichtigen ontbreken adequate en effectieve waarborgen. Naast de civiele route kan de administratieplichtige bij wie het derdenonderzoek wordt uitgevoerd ook nog bij de rechter verzoeken om een vergoeding van de gemaakte kosten indien de rechter oordeelt dat het informatieverzoek onrechtmatig is geweest.[3] Uit de parlementaire geschiedenis volgt echter dat deze rechterlijke toetsing de inspecteur niet belet om de ingewonnen informatie alsnog voor de belastingheffing te gebruiken.[4]

Conclusie: is Nederland EVRM-proof?

De Nederlandse rechtspraak ging er tot op heden veelal vanuit dat de huidige wettelijke grondslag toereikend is en er adequate en effectieve waarborgen zijn. De uitspraak van het EHRM dwingt er echter toe om vraagtekens bij die vanzelfsprekendheid te zetten.

Naar mijn mening ontbreekt ook in Nederland een duidelijke wettelijke afbakening van informatiebevoegdheden en effectieve waarborgen, zowel vooraf als achteraf, tegen vergaande informatieverzoeken. Zolang dit niet wordt gecorrigeerd dreigt het recht op privacy van de belastingplichtige een lege huls te blijven!

 

[1] Artikel 69 AWR.
[2] Volgens paragraaf 3.1 van het ‘voorschrift informatie fiscus/banken’ richt de Belastingdienst zich eerst tot de belastingplichtige zelf. Indien dit niet tot het gewenste resultaat leidt, wordt het verzoek rechtstreek aan de bank gericht.
[3] Artikel 53 lid 5 AWR.
[4] Handelingen I, 2011, p. EK 24-6-25 en 26.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. A.H.G.M. (Antoine) Blomen