Recent hebben zowel het EHRM als het HvJ EU zich uitgelaten over het motiveringsvereiste dat geldt voor een hoogste nationale rechter als het gaat om het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU.
Prejudiciële vragen
Nationale rechters hebben de mogelijkheid een vraag aan het HvJ EU te stellen over de uitleg van EU-recht als die uitleg noodzakelijk is voor de beslechting van het geschil. Een hoogste nationale rechter is op grond van artikel 267 VWEU in beginsel zelfs verplicht om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen. Het stellen van vragen is alleen dan niet verplicht wanneer zich één van de volgende situaties voordoet (HvJ EU, CILFIT, C‑283/81):
- De Unierechtelijke vraag is niet beslissend voor de uitkomst van het concrete geschil (niet beslissend).
- De betreffende Unierechtelijke vraag is reeds uitgelegd door het HvJ EU (acte éclairé).
- De juiste toepassing van het Unierecht is zó evident, dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel bestaat (acte clair)
Door nationale rechters de mogelijkheid en in laatste aanleg de verplichting te geven vragen te stellen aan het Hof van Justitie, wordt een dialoog van rechter-tot-rechter tot stand gebracht die tot doel heeft de uniforme uitlegging van het Unierecht te verzekeren.
EHRM Gondert v. Germany
Het EHRM oordeelde op 16 december 2025 in de zaak Gondert v. Germany (C-34701/21) dat op grond van artikel 6 EVRM uit de uitspraak van de hoogste rechter moet blijken waarom op basis van de Cilfit-criteria geen prejudiciële vragen worden gesteld.
Het EHRM baseert zich bij dat oordeel op artikel 6 EVRM, dat vereist dat partijen begrijpen dat hun argumenten zijn gehoord en waarom daarop wordt beslist, hetgeen een essentiële waarborg tegen willekeur is. Wanneer een partij uitdrukkelijk en gemotiveerd om een prejudiciële verwijzing verzoekt, moet de hoogste nationale rechter daarom bij een weigering daartoe ten minste aangeven op welke gronden die weigering berust. Dit geldt in zaken waarin artikel 6 EVRM van toepassing is zoals fiscale boetezaken.
Die motiveringsplicht bij het afzien van het stellen van prejudiciële vragen is niet nieuw. Het EHRM overwoog in Baydar t. Nederland nog dat een summiere cassatieafdoening zoals artikel 80a of 81 Wet RO verenigbaar met artikel 6 EVRM kan zijn wanneer uit de omstandigheden van de zaak evident blijkt dat een dergelijke beslissing niet twijfelachtig of onredelijk is. Toch werd in eerdere rechtspraak van het EHRM, zoals Dhahbi en Georgiou, ook duidelijk dat een hoogste rechter een gemotiveerd verzoek om prejudiciële vragen niet ongemotiveerd mag passeren.
In Gondert t. Duitsland wordt deze lijn echter verder uitgewerkt en expliciet verbonden met het Unierechtelijke kader: het EHRM maakt duidelijk dat de rechter inzichtelijk moet maken waarom, in het licht van artikel 267 VWEU en de Cilfit‑criteria, er geen aanleiding bestaat om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.
Het EHRM beoordeelt de motiveringsplicht in het kader van artikel 6 EVRM. Doordat er geen recht tot een prejudiciële verwijzing bestaat, is de motiveringsplicht enkel aan de orde als een partij een gemotiveerd verzoek tot prejudiciële vragen heeft gedaan. Het volstaat in dat kader niet dat een partij de uitlegging van het Unierecht door de nationale rechter in het algemeen betwist.
HvJ EU zaak Remling
Het Hof van Justitie kiest in de zaak Remling (C-676/23) een verdergaande benadering dan het EHRM door de motiveringsplicht niet te laten afhangen van een verzoek van partijen. De zaak Remling is een vreemdelingenzaak waarbij de mogelijkheid voor de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om verkort te motiveren ex. artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet aan de orde was.
Op 24 maart 2026 heeft het HvJ EU in deze zaak geoordeeld dat een hoogste nationale rechter gebonden is aan het motiveringsvereiste wanneer hij besluit geen prejudiciële vragen te stellen, ongeacht of daar door een van de partijen om is verzocht. Het HvJ EU benadrukt dat het gaat om een dialoog van rechter tot rechter waarvan het initiatief volledig afhankelijk is van de beoordeling door de nationale rechter.
Het nieuwe in Remling is niet dat het Hof verlangt dát een rechter die geen vragen stelt aan het HvJ EU moet motiveren, maar wanneer die plicht geldt. In eerdere rechtspraak van het HvJ, met name Cilfit en later Consorzio Italian Management, was al bepaald dat een hoogste nationale rechter slechts van het stellen van prejudiciële vragen mag afzien indien aan de Cilfit‑criteria is voldaan en dat die beoordeling in de motivering tot uitdrukking moet komen. In de zaak Remling gaat het HvJ echter een stap verder door expliciet te oordelen dat deze motiveringsplicht dus niet afhankelijk is van een verzoek van partijen, maar rechtstreeks voortvloeit uit artikel 267 VWEU gezien in het licht van artikel 47 van het Handvest.
Overigens volgt ook uit Remling dat een verkorte of beknopte motivering kan volstaan indien het nationale procesrecht daartoe ruimte biedt. Het HvJ EU biedt daarvoor enkele aanknopingspunten. Doorslaggevend is dat uit die motivering daadwerkelijk blijkt dat is getoetst aan de Cilfit‑criteria: is de Unierechtelijke vraag irrelevant voor beslechting van het geschil, is de vraag reeds beantwoord, of zó duidelijk dat redelijkerwijs geen twijfel bestaat?
Indien de lagere rechter uiteengezet heeft waarom de vraag van Unierecht niet relevant was, reeds door het HvJ EU was uitgelegd of de uitlegging zo evident was dat er redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kon bestaan, kan een verwijzing naar die gronden volstaan. Buiten die situatie moet de motivering beantwoorden aan de feitelijke en juridische omstandigheden van het geding en specifiek en concreet uiteenzetten waarom niet om een prejudiciële beslissing hoeft te worden verzocht. Dat kan beknopt als de vragen niet relevant zijn, en bij vragen die gelijk zijn aan eerdere vragen kan met een verwijzing worden volstaan. Dat de juiste uitlegging van het Unierecht zó evident is dat er redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel is, zal uitgebreider moeten worden gemotiveerd, aldus het HvJ EU.
Relevantie voor fiscale zaken
Voor de fiscale praktijk is met name de zaak Remling van groot belang. Het arrest Gondert t. Duitsland kent namelijk een beperkter bereik, omdat de motiveringsplicht daar wordt benaderd vanuit het oogpunt van artikel 6 EVRM dat het recht op een eerlijk proces waarborgt, dat niet onverkort geldt voor alle fiscale geschillen. Remling daarentegen heeft een aanzienlijk ruimer toepassingsbereik: de verplichting om te motiveren rust op iedere hoogste nationale rechter – waaronder ook de Hoge Raad – in alle zaken waarin Unierecht wordt toegepast en ongeacht of om het stellen van prejudiciële vragen wordt verzocht. De consequentie daarvan is dat de Hoge Raad in fiscale zaken met een wezenlijke Unierechtelijke dimensie niet langer kan volstaan met een ongemotiveerde afdoening op de voet van artikel 81 RO, maar verplicht is – al dan niet summier – inzichtelijk te maken dat en waarom is voldaan aan de Cilfit-voorwaarden waardoor wordt afgezien van het stellen van prejudiciële vragen, ook als daar niet door partijen expliciet om is verzocht.
Ik kijk met belangstelling uit naar de eerstvolgende arresten van de Hoge Raad waar de uitleg van het Unierecht een rol speelt en ben benieuwd hoe we het motiveringsvereiste terug gaan zien. Dit zal immers in alle btw- en douanezaken een rol spelen, maar ook in de directe belastingen komt het Unierecht steeds vaker om de hoek kijken.
Belang van prejudiciële vragen
Het stellen van prejudiciële vragen beperkt zich overigens niet tot Luxemburg. Ook op nationaal niveau bestaat de mogelijkheid om prejudiciële vragen te stellen. Sinds ruim tien jaar kunnen rechters in fiscale zaken prejudiciële vragen stellen aan de Hoge Raad. De feitenrechter die geconfronteerd wordt met de uitleg van Unierecht kan de vraag zelf aan het HvJ EU voorleggen of via een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad de weg naar het HvJ EU zoeken. Hoewel de rechter zelf aan het Unierecht moet toetsen, raden wij aan daar niettemin een gemotiveerd beroep op te doen. Hoe meer de rechter aan de hand wordt genomen des te groter is de kans dat het Unierechtelijke probleem onder ogen wordt gezien.