Spring naar content

#450 Omkering en verzwaring: de gemakzuchtige inspecteur gecorrigeerd!

20 april 2026

Omkering en verzwaring van de bewijslast is een zware processuele sanctie die niet lichtvaardig mag worden toegepast. Toch zie ik in de praktijk regelmatig dat de inspecteur hier veel te licht mee omgaat. Hij stelt zich bijna routinematig op het standpunt dat de vereiste aangifte niet is gedaan en dat de sanctie dus van toepassing is. Een zorgvuldige onderbouwing ontbreekt vaak. Mijn oog viel de afgelopen periode dan ook op een aantal uitspraken waarin de inspecteur wordt gecorrigeerd. De rode draad? De sanctie van omkering en verzwaring is geen vrijbrief voor gemakzucht!

Eerst bewijzen dát omkering en verzwaring van toepassing is

In de uitspraak van Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant van 23 maart 2026[1] ging het al direct mis bij de eerste stap. Tijdens een doorzoeking in het kader van een strafrechtelijk onderzoek werd bij belanghebbende een grote hoeveelheid contant geld aangetroffen. Omdat dit niet was verantwoord als inkomsten in de aangifte, stelde de inspecteur dat de vereiste aangifte niet was gedaan. Volgens hem leidde dat tot omkering en verzwaring van de bewijslast. De verklaringen van belanghebbende over de contanten, zoals dat een deel hiervan een schenking betrof, vond de inspecteur ongeloofwaardig.

De rechtbank ging hier echter niet in mee en herhaalde nogmaals de vaste lijn: omkering en verzwaring van de bewijslast is alleen aan de orde als de inspecteur aannemelijk maakt dat de belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. De inspecteur dient dit aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast te doen.

De stellingen van de inspecteur waren door de belanghebbende gemotiveerd betwist, waardoor het op de weg van de inspecteur had gelegen om hier nader onderzoek naar te doen. De enkele reactie van de inspecteur dat hij ‘simpelweg geen geloof hecht aan de stellingen van belanghebbende’, is volgens de rechtbank onvoldoende. Het gevolg was dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat de aangifte niet was gedaan en dat de bewijslast niet werd omgekeerd en verzwaard. De aanslag werd dan ook verminderd conform de door belanghebbende ingediende aangifte.

Redelijke schatting

Ook wanneer omkering en verzwaring wél vaststaat, is dit geen carte blanche voor de inspecteur. Dit wordt onderstreept door de uitspraak van Rechtbank Gelderland van 25 maart 2026.[2] In die zaak stond vast dat de vereiste aangifte niet was gedaan omdat de belanghebbende in zijn geheel geen aangifte had gedaan. Dit ondanks de uitnodiging, herinnering en aanmaning.

De rechtbank oordeelde terecht dat omkering en verzwaring van de bewijslast de inspecteur niet ontslaat van zijn verplichting om de aanslag niet naar willekeur vast te stellen. De aanslag dient te berusten op een redelijke schatting waarvoor geldt dat de inspecteur op basis van feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten dient te verschaffen waaruit is af te leiden dat de schatting redelijk is. Bij zijn schatting was de inspecteur uitgegaan van de gemiddelde winst en het gemiddelde loon behorende bij de sectorcode van belanghebbende. Met de door belanghebbende overgelegde bankafschriften en leningsdocumentatie was onder andere geen rekening gehouden.

De rechtbank floot de inspecteur dan ook terecht terug en oordeelde dat geen sprake was van een redelijke schatting. Door alsnog rekening te houden met de bankafschriften en de lening verminderde de rechtbank de vastgestelde winst tot bijna de helft!

Partiële omkering en verzwaring

Interessant is dat deze rechtspraak samenvalt met een andere ontwikkeling ten aanzien van de omkering en verzwaring, namelijk de vraag of deze ook partieel kan worden toegepast bij een absoluut, relatief aanzienlijk te lage aangifte. Volgens A-G Koopman[3] dient ook in dit geval partiële omkering en verzwaring de norm te zijn. In Hertoghs Beschouwt #397 heb ik uitgebreid stilgestaan bij zijn conclusie.

Ondanks dat de Hoge Raad tot op heden nog geen arrest heeft gewezen in die zaak, heeft Rechtbank Noord-Holland recent een voorschot op de uitkomst genomen. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de conclusie van Koopman de omkering en verzwaring van de bewijslast namelijk partieel toegepast bij een absoluut, relatief aanzienlijk te lage aangifte.[4] Dit is bijzonder omdat lagere rechtspraak in de regel niet vooruitloopt op de uitkomst van een procedure bij de Hoge Raad.

Uiteraard juich ik de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland ten volle toe omdat hiermee de zware processuele sanctie van omkering en verzwaring niet wordt toegepast op de overige geschilpunten die los staan van de vraag of de vereiste aangifte is gedaan. Een verbetering van de rechtspositie van de belastingplichtige dus!

Boodschap voor de inspecteur

De recente uitspraken maken wat mij betreft één ding heel duidelijk. Met de zware processuele sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast mag niet gemakzuchtig worden omgegaan. De inspecteur moet eerst bewijzen dat omkering en verzwaring van toepassing is en blijft ook daarna gebonden aan een redelijke schatting. In dat licht is de opmars van partiële omkering en verzwaring een welkome en noodzakelijke ontwikkeling.

 

 

 

[1] Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:2126.
[2] Rechtbank Gelderland 25 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2336.
[3] Concl. A-G Koopman 31 januari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:200.
[4] Rechtbank Noord-Holland 19 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2919.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. A.H.G.M. (Antoine) Blomen