Spring naar content

#452 Schending verdedigingsbeginsel basis voor vergoeding integrale proceskosten 

04 mei 2026

Op 10 maart 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag een buitengewoon interessant oordeel gegeven over de vraag in hoeverre schending van het verdedigingsbeginsel dient te leiden tot een vergoeding van de integrale proceskosten.[1] Hoewel ik van mening ben dat dit een automatisme zou moeten zijn – aangezien schending van een dergelijk belangrijk beginsel per definitie in verregaande mate onzorgvuldig handelen impliceert – wil het Hof helaas niet zover gaan, maar biedt het Hof in mijn visie wel een verruiming voor een beroep op vergoeding van de integrale proceskosten. Dit is vanuit het oogpunt van rechtsbescherming een stap in de goede richting.

In het navolgende ga ik hier verder op in.

Integrale proceskostenvergoeding

In beginsel heeft een belanghebbende die in een bezwaar- of (hoger) beroepsprocedure aan het langste eind trekt recht op een zogeheten forfaitaire proceskostenvergoeding. Deze vergoeding dekt echter in de meeste procedures niet de daadwerkelijk gemaakte kosten van de belastingplichtige. Voor bijvoorbeeld het indienen van een beroepschrift kan aanspraak worden gemaakt op een vergoeding van € 934. In een complexe beroepsprocedure zijn in de praktijk de gemaakte kosten van rechtsbijstand vaak een veelvoud van deze forfaitaire vergoeding.

Er bestaat evenwel een uitzondering op toekenning van de forfaitaire proceskosten. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, en artikel 2, lid 3, van het Bpb kan in bijzondere omstandigheden voor de kosten van rechtsbijstand in de bezwaar- of (hoger) beroepsfase een integrale vergoeding worden toegekend.

In de jurisprudentie is verder uitgekristalliseerd wanneer sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. Dat is het geval indien:

i. Het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden[2]; of
ii. het bestuursorgaan in verregaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. [3]

Schending verdedigingsbeginsel

Voordat ik toekom aan hoe een schending van het verdedigingsbeginsel in deze jurisprudentiële sleutel moet worden begrepen, is het goed kort stil te staan bij de vraag wanneer er sprake is van een schending van dit beginsel.

Het speerpunt van het verdedigingsbeginsel is het recht van de belastingplichtige een standpunt naar behoren en effectief kenbaar te mogen maken over alle elementen waarop het bestuursorgaan een bezwarend besluit wil baseren voordat het daadwerkelijk een besluit neemt.[4] Schending van dit beginsel is bijvoorbeeld aan de orde indien:

  • Een belanghebbende niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op (een voornemen van) een bezwarend besluit zoals een aanslag;
  • een belanghebbende onvoldoende tijd krijgt te reageren op een bezwarend besluit; of
  • niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken worden overlegd terwijl hier wel om is verzocht.

Indien sprake is van een schending, zoals hierboven beschreven, dient te worden beoordeeld of ook is voldaan aan het andere afloopcriterium. Dit betekent dat beoordeeld dient te worden of het bestuursorgaan tot een andere uitkomst had kunnen komen als hij de belastingplichtige wel vooraf zou hebben gehoord. Deze toets dient heel ruim uitgelegd te worden in die zin dat beslissend is of belanghebbende een inbreng had kunnen leveren waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot besluitvorming met een andere afloop had kunnen leiden.[5]

Nadat vastgesteld is dat aan het andere afloopcriterium voldaan is en sprake is van schending van het verdedigingsbeginsel dient het bezwarende besluit (partieel) te worden vernietigd.[6]

Vernietiging van het eerste bezwarende besluit betekent echter niet een definitief slot van een geschil. Het is namelijk in beginsel mogelijk dat na vernietiging van het eerste bezwarende besluit, het bestuursorgaan een tweede bezwarend besluit neemt. Zo kan na vernietiging van een eerste aanslag een tweede aanslag worden opgelegd, mits dit binnen de wettelijke termijnen wordt gedaan.[7] Er ontstaat dan een (mogelijk) tweede procedure die wederom gepaard gaat met proceskosten. Dubbele kosten dus. Om die reden dient mijns inziens ook in dit opzicht rekening te worden gehouden met de eerdere schending van het verdedigingsbeginsel.[8]

Oordeel Hof Den Haag

In de zaak voor het Hof Den Haag had de inspecteur over 2018 een naheffingsaanslag omzetbelasting van € 20.000 met belastingrente opgelegd, zonder voorafgaande kennisgeving van zijn voornemen hiertoe. Tussen partijen was niet in geschil dat deze handelwijze een schending vormde van het verdedigingsbeginsel.[9]

De inspecteur vond evenwel dat geen plek was voor vergoeding van de integrale proceskosten voor de bezwaarfase, omdat geen sprake was van ‘zeer onzorgvuldig handelen’. Verder heeft de inspecteur in zijn incidentele hoger beroep gesteld dat:

“Als het standpunt van belanghebbende zou worden gevolgd, zou dat bovendien tot gevolg hebben dat elke schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel tot toekenning van een integrale kostenvergoeding leidt, hetgeen niet verenigbaar is met artikel 2, lid 3, Bpb, aldus de Inspecteur.”[10]

Het Hof overwoog dat wel sprake was van bijzondere omstandigheden die een integrale proceskosten rechtvaardigen en kwam tot dit oordeel door een optelsom van:

i. De schending van het verdedigingsbeginsel;
ii. het feit dat de inspecteur dit in weerwil van duidelijke jurisprudentie van de Hoge Raad pas bij de uitspraak op bezwaar erkende; en
iii. een onvoldoende inspanning om het voor de onderbouwing van de naheffingsaanslag vereiste bewijs te verkrijgen.

Over het incidentele hoger beroep merkt het Hof op:

“Anders dan in voornoemde zaken het geval was, is in de onderhavige zaak niet slechts sprake van schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, maar zijn meerdere omstandigheden van belang die, in onderling verband en samenhang bezien, een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigen (zie 5.5.1 en 5.5.2).” (onderstreping auteur)

Kortom, volgens het Hof leidt enkel een schending van het verdedigingsbeginsel in beginsel niet tot toekenning van de integrale proceskosten.

Hof biedt meer ruimte voor integrale proceskostenvergoeding

Hoewel het Hof met de bovenstaande passage (nog) niet zover wil gaan tot het automatisch koppelen van een integrale proceskostenvergoeding aan een schending van het verdedigingsbeginsel zie ik – mede in dit oordeel – wel degelijk aanknopingspunten voor een ruimere uitleg.

Allereerst zijn de factoren die het Hof in aanmerking neemt onder punt i en ii onlosmakelijk verbonden met elkaar. Vaststaat immers dat een belanghebbende ‘onnodige’ kosten maakt indien de inspecteur pas in de uitspraak op bezwaar erkent dat sprake is van schending van het verdedigingsbeginsel, terwijl conform vaste jurisprudentie voor beide partijen van meet af aan duidelijk was dat sprake was van deze schending. De schending van het verdedigingsbeginsel legt in deze zaak veruit het meeste gewicht in de schaal voor toekenning van de integrale proceskosten.

Daar dienen volgens het Hof nog wel omstandigheden bij te komen wil het daadwerkelijk leiden tot toekenning hiervan. “Niet slechts” een schending van het verdedigingsbeginsel is voldoende. Dat komt op mij over als zoeken naar een druppel die de emmer uiteindelijk doet overlopen. De emmer is al nagenoeg vol door schending van het verdedigingsbeginsel.

Concreet kan het beroep op vergoeding van de integrale proceskosten mijns inziens op twee manieren worden bewerkstelligd: ofwel in de eerste procedure – dat wil zeggen de procedure waarin de schending van het verdedigingsbeginsel wordt vastgesteld – ofwel in een tweede opvolgende procedure, indien een nieuw bezwarend besluit is genomen.

Enerzijds, kunnen in de eerste procedure de integrale proceskosten worden vergoed als sprake is van schending van het verdedigingsbeginsel én bijkomende omstandigheden. Gelet op het oordeel van het Hof Den Haag denk ik dat aan dat laatste snel zal zijn voldaan.

Een dergelijke bijkomende omstandigheid zie ik bijvoorbeeld aanwezig als de inspecteur ervoor kiest om na vernietiging van de eerste aanslag een (voornemen tot het opleggen van een) tweede aanslag oplegt zonder rekening te houden met schending van het verdedigingsbeginsel. Dan dient een rechter in de eerste procedure de integrale proceskosten toe te kennen, omdat sprake is van schending van het verdedigingsbeginsel én de inspecteur een belanghebbende opzadelt met dubbele proceskosten zonder hier een compensatie voor te bieden. Het kan echter ook opportuun zijn pas in de tweede procedure ter sprake te brengen dat onvoldoende rekening is gehouden met de eerste schending van het verdedigingsbeginsel zodat een rechter eerder geneigd zou zijn de tweede aanslag te vernietigen dan wel te verminderen.

Mocht de eerste procedure evenwel zijn afgesloten dan zie ik anderzijds nog een andere mogelijkheid voor een belanghebbende om de integrale proceskosten terug te krijgen. In de tweede procedure kan aangevoerd worden dat de inspecteur de gemaakte kosten voor vergoeding in de eerste procedure zou moeten verdisconteren in de tweede naheffingsaanslag. Zoals Koopman immers schrijft, biedt “Het nationale procesrecht (…) mogelijkheden om op een proportionele wijze de schade aan de verdedigingsbelangen van een belanghebbende te repareren.”[11]

Een korting geven in de tweede procedure voor de daadwerkelijk gemaakte proceskosten in de eerste procedure is een dergelijk mechanisme om de verdedigingsbelangen van een belanghebbende te repareren, of wellicht in samenspraak met de ontvanger een deel van de naheffingsaanslag buiten invordering stellen?

Als dat namelijk niet gebeurt, dan is een belanghebbende uiteindelijk de dupe van het feit dat sprake was van schending van het verdedigingsbeginsel doordat hij genoodzaakt is dubbele proceskosten te maken. Dat kan nooit de bedoeling zijn vanuit het oogpunt van rechtsbescherming.

 

 

[1] Hof Den Haag 10 maart 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:432.
[2] HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802, r.o. 3.2.
[3] HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975, r.o. 3.3.
[4] Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (Fiscale Monografieën nr. 170) (diss. Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 8.
[5] Vgl. Schending verdedigingsbeginsel: gedeeltelijke vernietiging is feit – Hertoghs advocaten.
[6] Als uitgangspunt geldt een volledige vernietiging van het besluit; in uitzonderingsgevallen is partiële vernietiging mogelijk (vgl. Hoge Raad 24 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:934).
[7] Vgl. HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1410 en Conclusie A-G Koopman 5 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:379. Zie ook HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1620.
[8] Conclusie A-G Koopman 5 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:379, par. 7.12.
[9] Zo blijkt uit het oordeel van de rechtbank: Rechtbank Den Haag 8 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16827, r.o. 14.
[10] Hof Den Haag 10 maart 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:432, r.o. 5.4.2.
[11] Conclusie A-G Koopman 5 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:379, par. 7.12.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. R. (Ruben) Scherpenisse