Spring naar content

#455 Het fiscale mechanisme bij ontneming: nog altijd een voordeel zonder nadeel

02 juni 2026

De Hoge Raad heeft zich op 31 maart 2026 opnieuw uitgesproken over een terugkerend thema in strafrechtelijke ontnemingszaken, namelijk of bij de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel rekening moet worden gehouden met belastingheffing. In het bijzonder ging het deze keer om dividendbelasting in een situatie waarin een BV betrokken was, maar het voordeel uiteindelijk – strafrechtelijk bezien – volledig werd toegerekend aan de natuurlijke persoon achter die vennootschap. Het blijft van wezenlijk belang om de fiscale stand van zaken in de ontnemingsprocedure scherp in beeld te hebben.

De zaak draaide om een bestuurder en indirect aandeelhouder van een BV die feitelijk leiding gaf aan de verkoop van niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Het hof schatte het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de aandeelhouder op ruim € 532.000 en legde een betalingsverplichting van € 505.000 op. Daarbij hield het hof wel rekening met vennootschapsbelasting, maar niet met mogelijke dividendbelasting. Volgens het hof was immers niet gebleken dat daadwerkelijk dividend was uitgekeerd of dividendbelasting was afgedragen. De Hoge Raad laat dat oordeel in stand. Doorslaggevend is volgens de Hoge Raad de feitelijke vaststelling dat geen dividendbelasting is betaald. Daarmee ontbreekt aanleiding om mogelijke toekomstige dividendbelasting alvast in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Toerekening corporatief voordeel

Interessant is vooral de conclusie van A-G Aben, die een uitgebreid kader ontwikkelt voor de strafrechtelijke toerekening van corporatief voordeel aan natuurlijke personen. Hij onderscheidt drie categorieën:
• indirecte toerekening via de vennootschap, bijvoorbeeld via dividend of waardestijging van aandelen;
• vereenzelviging van vennootschap en natuurlijke persoon;
• schijnconstructies waarbij de vennootschap slechts een façade vormt.

Volgens de A-G is het fiscale mechanisme alleen relevant in de eerste categorie. In de andere gevallen wordt het voordeel geacht rechtstreeks bij de natuurlijke persoon terecht te zijn gekomen, zodat belastingheffing op vennootschapsniveau geen rol speelt.

De Hoge Raad spreekt zich echter niet expliciet uit over deze driedeling. Het arrest blijft beperkt tot de constatering dat geen dividendbelasting is afgedragen. Daarmee blijft onduidelijk of de Hoge Raad het door de A-G ontwikkelde kader daadwerkelijk onderschrijft. Inmiddels is deze driedeling ook in een latere conclusie van A-G Wattel aangehaald. Wellicht biedt de Hoge Raad in een volgend arrest hier duidelijkheid over.

Het fiscale mechanisme

Het arrest past wel binnen een bredere lijn in de jurisprudentie over het zogenoemde fiscale mechanisme. Sinds het arrest uit 1998 geldt als uitgangspunt dat de strafrechter bij ontneming werkt met brutobedragen, omdat het fiscale stelsel eventuele correcties zelfstandig zou moeten opvangen. De gedachte daarachter is dat belastingheffing over ontnomen voordeel uiteindelijk via verliesverrekening wordt geneutraliseerd.

In de praktijk blijkt dat mechanisme echter lang niet altijd goed te functioneren. Reeds in 2012 wezen Vera Ruijs en ondergetekende op het risico van feitelijke dubbele heffing, bijvoorbeeld wanneer verliesverrekeningstermijnen verlopen of fiscale aftrekbeperkingen toepassing vinden. Daardoor kan een maatregel met een reparatoir karakter alsnog een punitieve uitwerking krijgen.

De Hoge Raad heeft in latere rechtspraak wel enige nuance aangebracht. In het Klimop-arrest uit 2021 werd erkend dat het fiscale mechanisme niet blindelings mag worden toegepast wanneer duidelijk is dat fiscale correctie feitelijk onmogelijk is. Ook het recente arrest sluit aan bij die ontwikkeling, maar deze lijn wordt niet geheel doorgetrokken. In het recente arrest wordt immers enkel rekening gehouden met de vennootschapsbelasting, maar mijns inziens ten onrechte niet met de dividendbelasting die door de vennootschap zou moeten worden afgedragen.

Daarmee blijft de kernproblematiek bestaan. Het arrest biedt geen structurele oplossing voor situaties waarin belastingheffing en ontneming samen leiden tot een onevenwichtige uitkomst. Wel wijst de Hoge Raad opnieuw op de mogelijkheid van een later verzoek op grond van artikel 6:6:26 Sv wanneer alsnog belasting verschuldigd blijkt te zijn. Dat biedt enige correctiemogelijkheid, maar pas achteraf en op initiatief van de betrokkene.

Ontneming in de fiscale praktijk

Voor de praktijk bevestigt dit arrest vooral de aandacht voor de fiscaliteit in een strafrechtelijke ontnemingszaak. De ontnemingsrechter houdt in beginsel geen rekening met nog niet gerealiseerde belastingheffing. Dat roept de vraag op of hierop in het fiscale traject moet worden aangedrongen zodat daar in de strafzaak rekening mee kan worden gehouden. Daarnaast blijft de verhouding tussen ontneming en fiscaliteit een terrein waarop nog altijd behoefte bestaat aan verdere rechtsontwikkeling en wetgevende afstemming. Wellicht biedt een volgend arrest van de strafkamer van de Hoge Raad uitsluitsel of indirecte toerekening van voordeel van een vennootschap aan een natuurlijke persoon alsnog noopt tot correctie van belastingheffing bij wederrechtelijk verkregen voordeel.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. A.A. (Anke) Feenstra