Op 7 augustus 2026 wees de Hoge Raad een arrest over de fiscale woonplaats waarin hij op maar liefst drie punten afweek van de conclusie van Advocaat-Generaal Koopman (A-G).[1] Opvallend, want de A-G had de Hoge Raad juist geadviseerd het cassatieberoep integraal ongegrond te verklaren.[2] Toch zit de echte betekenis van het arrest niet in wat de Hoge Raad wél heeft beslist, maar juist in wat hij onbesproken laat. Een van de cassatiemiddelen stelde namelijk een fundamentele vraag aan de orde: is het ruim 130 jaar oude woonplaatsbegrip van artikel 4 AWR nog wel houdbaar in een tijd waarin woonplaatsonderzoeken steeds verder doordringen in het privéleven van belastingplichtigen?
De zaak
De procedure draaide om een bestuurder van een internationaal concern die jarenlang in Monaco woonde en in 2016 geleidelijk terugkeerde naar Nederland. In geschil was onder meer of hij al vanaf 1 januari 2016 in Nederland woonde of pas vanaf 18 april 2016. Dat verschil maakte miljoenen euro’s aan inkomsten wel of niet belastbaar in Nederland. Belanghebbende stelde in cassatie een principiële vraag aan de orde: biedt het huidige woonplaatsbegrip nog voldoende rechtszekerheid? De open norm van artikel 4 AWR zou volgens hem te vaag zijn geworden en te weinig houvast bieden voor belastingplichtigen die internationaal leven en werken.
De conclusie van Koopman
De A-G vond van niet. Volgens hem functioneert het woonplaatsbegrip nog steeds zoals de wetgever het heeft bedoeld. De kracht van artikel 4 AWR schuilt volgens Koopman juist in het open karakter ervan. Alle omstandigheden van het geval kunnen worden meegewogen en een vaste rangorde van factoren past daar niet bij. Ook de mogelijkheid dat iemand tegelijkertijd in meerdere landen woont, vormt volgens Koopman geen probleem. Een herijking van het woonplaatsbegrip achtte hij daarom onnodig én onwenselijk.
Wie vervolgens het arrest van de Hoge Raad leest, merkt echter dat deze principiële discussie vrijwel volledig buiten beeld blijft. De Hoge Raad laat het eerste middel over het woonplaatsbegrip onbehandeld, omdat hij het tweede middel al gegrond acht. Daarmee blijft de vraag of het woonplaatsbegrip aan modernisering toe is volledig onbeantwoord.
Hof Den Bosch krijgt drie tikken op de vingers van de Hoge Raad
In plaats van een principieel oordeel over artikel 4 AWR corrigeert de Hoge Raad het hof namelijk op drie andere punten. Ten eerste op het vertrouwensbeginsel. De inspecteur had zich tijdens de aanslag- en bezwaarfase expliciet op het standpunt gesteld dat belanghebbende in de eerste maanden van 2016 niet in Nederland woonde. Volgens het hof was daarmee geen vertrouwen gewekt. De Hoge Raad denkt daar anders over. Wie na onderzoek een uitdrukkelijk standpunt inneemt, schept vertrouwen waarop een belastingplichtige mag afgaan. Zelfs als de belastingplichtige hier eerst in hoger beroep ter zitting een beroep op doet.
Daarnaast vond de Hoge Raad dat het hof onvoldoende was ingegaan op een ruling over RSU’s die mogelijk zelfstandig vertrouwen had gewekt. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel was volgens de Hoge Raad onvoldoende gemotiveerd verworpen. Opmerkelijk daarbij is dat het hof zich mede baseerde op stukken die voor belanghebbende geheim waren gehouden. De Hoge Raad benadrukt dat ook in zo’n situatie een rechterlijke beslissing controleerbaar moet blijven.
Woonplaatsonderzoeken: de ontbrekende waarborgen
Het belang van het arrest zit daarmee juist in wat de Hoge Raad niet beslist. De Belastingdienst onderzoekt waar iemand verblijft, waar zijn partner woont, hoe vaak hij in Nederland is, welke reisbewegingen plaatsvinden en welke financiële transacties worden verricht. Door de open norm van artikel 4 AWR kan volgens de inspecteur vrijwel iedere omstandigheid relevant worden geacht.
Daar ligt het werkelijke probleem. Het debat over de fiscale woonplaats gaat allang niet meer uitsluitend over de vraag waar iemand woont, maar steeds vaker over de vraag hoe ver de informatievergaring van de inspecteur reikt. De open norm van artikel 4 AWR wordt in de praktijk door de inspecteur gebruikt om de informatievergaring op grond van artikel 47 en 53 AWR steeds verder op te rekken. Dit terwijl deze wijze van informatievergaring naar onze mening niet meer EVRM-proof is, omdat artikel 47 en 53 AWR de bevoegdheden van de inspecteur onvoldoende afbakenen en tegelijkertijd niet is voorzien in voldoende procedurele waarborgen om bescherming te bieden tegen misbruik of willekeur.[3] Juist tegen deze achtergrond was deze procedure bij uitstek geschikt geweest om richting te geven aan de grenzen van het woonplaatsbegrip en de daarmee samenhangende informatievergaring.
Open eind
Op zichzelf bezien is het arrest van 7 augustus 2026 dus geen belangrijk woonplaatsarrest. De Hoge Raad zegt vrijwel niets over artikel 4 AWR en laat de uitvoerige beschouwing van Koopman grotendeels onbeantwoord. Wie had gehoopt op richtinggevende rechtspraak over het woonplaatsbegrip, blijft daarom met lege handen achter. De principiële vraag of het huidige woonplaatsbegrip nog past bij de eisen van deze tijd blijft daarmee voorlopig onbeantwoord.
[1] Hoge Raad 7 augustus 2026, ECLI:NL:HR:2026:1340(opens in new tab).
[2] Conclusie A-G Koopman 25 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:500(opens in new tab).
[3] Verschoor en Blomen, ‘Is de Nederlandse fiscale informatievergaring nog EVRM-proof?’, WFR 2026/182 (opens in new tab)