Er bestaat een btw-vrijstelling voor diensten verricht op het vlak van gezondheidskundige verzorging van de mens door beoefenaren van een (para)medisch beroep. De toepassing van deze medische vrijstelling geeft in de praktijk regelmatig aanleiding tot discussie. Onlangs heeft de kennisgroep omzetbelasting van de Belastingdienst twee kennisgroepstandpunten gepubliceerd.[1] Hoewel de kennisgroep beoogt meer duidelijkheid te scheppen over de toepassing van de medische vrijstelling, laten beide standpunten ook zien dat de beoordeling sterk afhankelijk blijft van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.
De medische vrijstelling in het kort
De medische vrijstelling is opgenomen in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 1°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 en nader uitgewerkt in een Besluit van de Staatssecretaris (hierna: het Besluit).[2] Van belang voor toepassing van de medische vrijstelling is onder meer of de dienst een therapeutisch doel dient. Er is sprake van een therapeutisch doel als het voornaamste doel van de (para)medische handeling de bescherming van de gezondheid van de mens is, de instandhouding of het herstel van de gezondheid daaronder begrepen. Het besluit noemt daarbij specifiek handelingen die ten doel hebben een diagnose te stellen, te behandelen en, voor zoveel mogelijk, het genezen van ziekten.
Bij cosmetische geneeskunde geldt dat enkel ingrepen die uitsluitend de verfraaiing van het uiterlijk tot doel hebben niet onder het begrip gezondheidskundige verzorging kunnen worden gebracht.
Voor de vrijstelling is ook van belang wie de dienst verricht. Hoewel de vrijstelling in beginsel alleen kan worden toegepast bij diensten verricht door BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaren, kan de vrijstelling op grond van het fiscale neutraliteitsbeginsel ook van toepassing zijn op niet-BIG-geregistreerde zorgverleners met een gelijkwaardig kwaliteitsniveau. De beroepsbeoefenaar moet dan wel aantonen dat hij beschikt over beroepskwalificaties die waarborgen dat zijn diensten kwalitatief gelijkwaardig zijn aan vergelijkbare diensten van een BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar.[3] Hiervan is volgens het Besluit sprake als de medisch beroepsbeoefenaar beschikt over een afgeronde beroepsopleiding gecombineerd met relevante kennis en ervaring op het gebied van zijn beroepsuitoefening.[4]
Nadere invulling door kennisgroepstandpunten
Hoewel het juridische kader van de medische vrijstelling in de wet, beleidsbesluiten en jurisprudentie uitgebreid is uitgewerkt, blijft de reikwijdte van de vrijstelling in de praktijk regelmatig onderwerp van discussie. Binnen de Belastingdienst leven hierover kennelijk ook vragen. Dat blijkt uit twee recent door de kennisgroep omzetbelasting gepubliceerde kennisgroepstandpunten, waarin wordt ingegaan op de toepassing van de medische vrijstelling bij een schoonheidsspecialiste en een freelance doktersassistente.
Medische vrijstelling voor diensten van schoonheidsspecialisten
Het eerste kennisgroepstandpunt(opens in new tab) betreft de toepassing van de medische vrijstelling op diensten geleverd door een niet-BIG-geregistreerde schoonheidsspecialiste.[5] Zij biedt laserontharing, acnebehandelingen en het aanbrengen van camouflage/permanente make-up aan. De schoonheidsspecialiste in de specifieke casus heeft niet de hbo-opleiding tot huidtherapeute afgerond, wel heeft ze verschillende diploma’s en certificaten behaald en meer dan 35 jaar werkervaring. De kennisgroep neemt als uitgangspunt dat haar diensten niet zijn vrijgesteld, tenzij aan strikte voorwaarden wordt voldaan. Zo moet per behandeling het therapeutisch doel objectief zijn vastgesteld door een bevoegde medische beroepsbeoefenaar. Deze gegevens moeten door de schoonheidsspecialiste administratief worden vastgelegd. Ook geldt dat de diensten van gelijkwaardige kwaliteit moeten zijn aan soortgelijke diensten die worden verricht door een BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar.
Het kennisgroepstandpunt bevestigt dat de beoordeling of een behandeling een therapeutisch doel dient, is voorbehouden aan een bevoegde medische beroepsbeoefenaar. Dat volgt niet alleen uit de jurisprudentie, maar ook uit het besluit waarin is vastgelegd dat deze beoordeling door een medische beroepsbeoefenaar per individuele patiënt dient plaats te vinden. Dat is ook logisch. De vraag of een behandeling strekt tot bescherming, instandhouding of herstel van de gezondheid vergt immers medische kennis en een beoordeling van de individuele omstandigheden van de patiënt.
Tegelijkertijd lijkt juist die beperkte toetsingsruimte in de praktijk regelmatig aanleiding te geven tot discussie. De Belastingdienst beschikt niet over dezelfde medische informatie als de behandelaar, terwijl het therapeutische doel van een behandeling doorslaggevend is voor de toepassing van de vrijstelling. Daardoor ontstaat geregeld spanning tussen het medische oordeel van de behandelaar en de fiscale beoordeling door de inspecteur. Dat zien wij met name bij cosmetische geneeskunde. De inspecteur, die niet medisch geschoold is, kan die beoordeling niet maken. Zijn rol blijft daarom beperkt tot een marginale toets. Het kennisgroepstandpunt onderstreept wat mij betreft dat die afbakeningsproblematiek nog altijd actueel is. Behandelingen zoals laserontharing, acnebehandelingen of bepaalde vormen van permanente make-up kunnen onder omstandigheden een therapeutisch doel dienen, ook al worden zij door buitenstaanders al snel als cosmetisch bestempeld. Eerder schreven wij over deze problematiek al in Hertoghs Beschouwt #356(opens in new tab).
Medische vrijstelling voor diensten van doktersassistenten
De kennisgroep heeft ook een kennisgroepstandpunt(opens in new tab) gepubliceerd ten aanzien van diensten verricht door een freelance doktersassistente die werkzaam is voor een zorgcentrum en meerdere huisartsenpraktijken.[6] Ook hier ging het om de vraag of deze diensten, ondanks het ontbreken van een BIG-registratie bij de behandelaar, onder de vrijstelling kunnen vallen. Anders dan bij de schoonheidsspecialiste gaat de kennisgroep er in dit geval vanuit dat de verrichte werkzaamheden medische handelingen zijn die in alle gevallen zien op de diagnose, behandeling of genezing van ziekten. De handelingen worden verricht in het verlengde van de diagnose en behandeling door de huisarts. Daarmee wordt het therapeutisch doel aangenomen. Net als bij de handelingen die verricht worden door de schoonheidsspecialist zien we hier dus dat een diagnose van een medisch specialist vereist is. Gelet op haar kennis en ervaring wordt het kwaliteitsniveau daarnaast vergelijkbaar geacht met diensten van BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaren. Met die omstandigheden in ogenschouw genomen, komt de kennisgroep tot het oordeel dat de medische vrijstelling op de diensten van de doktersassistente van toepassing is.
Medische vrijstelling voor de btw in de praktijk en de toepassing van de kennisgroepstandpunten
De toepassing van de medische vrijstelling laat zich moeilijk vangen in algemene regels. Of sprake is van een therapeutisch doel, wanneer dat doel objectief kan worden vastgesteld en of diensten van gelijkwaardige kwaliteit zijn aan die van een BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar, blijft sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Juist daarom leiden deze onderwerpen in de praktijk geregeld tot discussie.
De recente kennisgroepstandpunten bieden een interessant inkijkje in de wijze waarop de Belastingdienst de medische vrijstelling uitlegt en toepast. Zij maken zichtbaar waar de Belastingdienst in specifieke gevallen de grenzen van de vrijstelling trekt en welke omstandigheden daarbij van belang worden geacht. Tegelijkertijd moet worden bedacht dat kennisgroepstandpunten niet meer zijn dan een weergave van de fiscale visie van de Belastingdienst. Zij hebben geen wettelijke status en vormen evenmin rechtspraak. Hoewel belastinginspecteurs deze standpunten in beginsel behoren te volgen, geldt die verplichting niet voor belastingplichtigen en ook niet voor de rechter. Uiteindelijk is het aan de rechter om te bepalen hoe de wet moet worden uitgelegd en toegepast in het concrete geval.
Daarbij blijft relevant dat de medische beoordeling een centrale rol vervult. Of een behandeling een therapeutisch doel dient, moet per individuele patiënt worden beoordeeld en die beoordeling is voorbehouden aan een bevoegde medische beroepsbeoefenaar. Zowel de inspecteur als de rechter zullen zich daarom in belangrijke mate moeten baseren op een medisch oordeel dat zij zelf niet kunnen geven. Zij zijn beperkt tot een marginale toets: niet of zij zelf de behandeling als therapeutisch zouden kwalificeren, maar of de arts op zorgvuldige en objectief verifieerbare wijze tot dat oordeel heeft kunnen komen. Juist die verwevenheid van medische en fiscale beoordeling maakt dat de toepassing van de vrijstelling zich niet altijd leent voor een uniforme benadering.
[1] Kennisgroepstandpunt van 28 juli 2026, KG:210:2026:4; kennisgroepstandpunt van 13 augustus 2016, KG:210:2026:6.
[3] HvJ EG van 27 april 2006, C-443/04, Solleveld.
[4] Paragraaf 4.1 van het Besluit BLKB2016/433M, inzake de vrijstelling van omzetbelasting van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 1°, van de Wet op de omzetbelasting 1968, medische dienstverlening.
[5] Kennisgroepstandpunt van 28 juli 2026, KG:210:2026:4.
[6] Kennisgroepstandpunt van 13 augustus 2016, KG:210:2026:6.