Het maken van procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging is een hot topic. Terwijl een OM-aanwijzing in de maak is, worden de contouren van de (on)mogelijkheden ook in de jurisprudentie langzaam maar zeker zichtbaar.
Lees hier alvast een voorproefje:
De wens om strafrechtelijke procedures efficiënter te laten verlopen is aanwezig bij alle betrokkenen. Het strafrecht is effectiever voor de samenleving als procedures niet onnodig lang duren. Daarnaast hebben verdachten in de regel geen baat bij langdurige onzekerheid en heeft het Openbaar Ministerie qua capaciteit ook belang bij een snellere en efficiëntere behandeling. In februari 2019 uitte het OM al de wens om vaker afspraken te maken met de verdediging. De contouren van de mogelijkheden en onmogelijkheden worden steeds beter zichtbaar.
Het OM schreef destijds te willen gaan experimenteren met procesafspraken met het doel zaken sneller te kunnen afhandelen. Het zou dan bijvoorbeeld gaan om het afbakenen van het opsporingsonderzoek door de officier van justitie en het beperken van onderzoekswensen door de advocaat. Er is overigens geen wettelijke grondslag nodig voor procesafspraken, maar er is wel een concept-aanwijzing in de maak waarin de voorwaarden worden geformuleerd wanneer procesafspraken kunnen worden gemaakt.
In Vaklunch #465 werd al geconcludeerd dat de eerste ervaringen met procesafspraken laten zien dat het afhankelijk is van de betrokken rechtbank of het OM en de verdediging op steun voor de gemaakte procesafspraken kunnen rekenen. Daarbij lijken procesafspraken de meeste kans op succes te hebben indien deze “helpen een bijdrage te leveren aan ontlasting van het strafrechtsysteem”. Het heeft dus de voorkeur afspraken te maken met alle partijen en niet, bijvoorbeeld, met maar een deel van de verdachten.