Spring naar content

#369: Collateral damage bij fraudeonderzoek: ondernemersrisico of disproportioneel?

08 juli 2024

Een strafrechtelijk onderzoek naar fraude door FIOD en Openbaar Ministerie stelt een ondernemer flink op de proef. Dat geldt uiteraard voor het strafrechtelijk onderzoek zelf en in een onverhoopt geval voor een strafrechtelijke veroordeling. Maar in de praktijk is het voor ondernemers vanaf de prille start van een strafrechtelijk onderzoek “alle hens aan dek”. Zij krijgen met veel meer uitdagingen te maken ten gevolge van het enkele feit dat er een strafrechtelijk onderzoek loopt. Die zogenaamde bijkomende effecten, ook wel ‘collateral damage’ genoemd, worden door veel ondernemers niet meer als ondernemersrisico ervaren, maar als disproportionele schade.

Ondanks de onschuldpresumptie voelt het alsof zij gestraft worden, terwijl er geen enkele sprake is van een veroordeling. Die ondernemers moeten ook een lange adem hebben, want in fraudezaken is het geen uitzondering dat een onderzoek enkele jaren in beslag neemt, voordat het Openbaar Ministerie beslist of er al dan niet reden is om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging.

Continuïteit onderneming

Zeker in het geval van een zoeking door de FIOD in een bedrijfspand kan de continuïteit van een bedrijf snel geraakt worden. Een zoeking veroorzaakt veel onrust onder personeel en klanten, met alle gevolgen van dien. Ook komt het voor dat personeel en klanten bekend raken met het feit dat sprake is van een strafrechtelijk onderzoek, nog voordat een verdachte goed en wel weet wat er aan de hand is en waar hij van verdacht wordt. Ook (social) media speelt een rol in de snelheid waarmee een onderzoek bekend raakt bij een groter publiek, dan enkel de opsporingsinstanties en de verdachte.

Het komt dan op de bedrijfsorganisatie en de communicatie van de betrokken ondernemer aan om personeel en klanten gerust te stellen. Sommige ondernemers zijn in staat dat op een overtuigende en duurzame manier voor elkaar te krijgen in die crisissituatie. Andere ondernemers worstelen ermee en krijgen het tij niet goed gekeerd.

Beslag op liquiditeiten

In diezelfde fase van het onderzoek komt het vaak voor dat beslag wordt gelegd door het Openbaar Ministerie op vermogensbestanddelen. Het gaat dan om bedragen die mogelijk een criminele herkomst hebben, maar het kan ook gaan om beslag op saldi van bankrekeningen om het bedrag zeker te stellen voor een eventuele geldboete die in het geval van een veroordeling kan worden opgelegd. Dergelijke beslagen kunnen een onderneming flink in de problemen brengen. De maandelijkse lopende kosten, waaronder salarisbetalingen, kunnen soms niet meer worden voldaan.

Tegen de beslaglegging kan een klaagschrift worden ingediend ex artikel 552a Sv, dat wordt behandeld door de raadkamer van de rechtbank. Met een dergelijke procedure is tijd gemoeid, die niet altijd beschikbaar is voor de ondernemer. Daarnaast is een dergelijke procedure niet zonder meer succesvol. Hoewel de proportionaliteit van het beslag in de specifieke omstandigheden door de raadkamer beoordeeld moet worden zoals Maaike Coenen in Hertoghs Beschouwt #359 al concludeerde, speelt het tijdsverloop van het voortduren van het beslag daarin een belangrijke rol.

Juist in die eerste fase is het van belang snel en zorgvuldig in beeld te hebben wat de financiële situatie van de onderneming is. Dit om zo mogelijk de officier van justitie – zonder tussenkomst van de rechter – ervan te overtuigen dat een deel van het beslag moet worden vrijgegeven. Zo kan worden voorkomen dat het bedrijf omvalt nog voordat zorgvuldig kan worden beoordeeld of er überhaupt bewijs is dat strafbare feiten zijn gepleegd.

De relatie met dienstverleners onder druk

Ook in het geval een strafrechtelijk onderzoek niet bekend is geraakt bij het grotere publiek, is het goed mogelijk dat dienstverleners van een verdachte onderneming er wel bekend mee zijn geraakt. Dat geldt bijvoorbeeld voor banken. Onder hen kan derdenbeslag worden gelegd op de saldi van bankrekeningen op basis van artikel 94a Sv. Daarmee is de bank in ieder geval bekend dat sprake is van een strafrechtelijk onderzoek. Dergelijke informatie leidt, onder de huidige wet- en regelgeving waar banken aan moeten voldoen, al snel tot vragen van de bank. De bank wil op basis daarvan kunnen beoordelen of sprake is van strafbare feiten, of de klant voldoende transparant is geweest over KYC informatie en of deze situatie een bedreiging kan zijn voor de eigen reputatie van de bank.

Dergelijke situaties kunnen voor een ondernemer zeer frustrerend zijn, zeker als de wijze waarop de bank omgaat met de vragen aan de klant qua zorgvuldigheid te wensen overlaat. Daarbij geldt gelukkig dat de jurisprudentie laat zien dat bij een werkwijze van de bank – in de woorden van de rechtbank – met de “Franse slag”, de bankrelatie niet zomaar beëindigd kan worden.[1]

Niettemin kan dit proces ervoor zorgen dat beperkingen worden opgelegd aan de dienstverlening door de bank, hetgeen het betaalverkeer van de onderneming bemoeilijkt. Als de relatie met andere dienstverleners zoals accountants en belastingadviseurs al niet bemoeilijkt wordt door betalingsproblemen vanwege beslag of een onderzoek door de bank, dan kan wet- en regelgeving waar accountants en belastingadviseurs aan moeten voldoen ook leiden tot nadere vragen en onderzoeken.

Daarnaast kan een strafrechtelijk onderzoek invloed hebben op andere zaken waar een onderneming afhankelijk van kan zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor ondernemingen die te maken hebben met aanbestedingen. Maar ook bij ondernemers die te maken hebben met toezichthouders, zullen nadere integriteitsbeoordelingen kunnen worden uitgevoerd. Voor verzekeraars geldt dat zij in de jaarlijkse questionnaire de vraag stellen of de verzekerde in aanraking is gekomen met justitie.

De bevestiging dat sprake is van een strafrechtelijk onderzoek, kan tot nadere vragen leiden. Dat kan ook gelden voor branche specifieke certificeringen waarvoor jaarlijkse controles worden uitgevoerd of de certificering verlengd kan worden. Ook in dat kader kunnen nadere vragen worden gesteld. Voor specifieke beroepsgroepen, zoals accountants en belastingadviseurs, geldt dat zij als verdachte ook met veel specifieke bijkomende gevolgen te maken krijgen. Anke Feenstra en Maaike Coenen hebben die effecten eveneens in beeld gebracht in deze bijdrage. Ook de effecten van de Wet Bibob kunnen ondernemers parten spelen. In Hertoghs Beschouwt #344 wordt daar dieper op ingegaan.

Bijkomende effecten zwaarder dan strafrechtelijk onderzoek?

Bij een onderzoek naar fraude is het voor de ondernemer in de praktijk vaak “alle hens aan dek”. De ondernemer en de betrokken advocaten zijn in die fase niet alleen maar druk met de inhoud van het strafproces, maar minstens zo druk met het waarborgen van de continuïteit van de onderneming. Het is goed dat alle actoren in het strafproces zich hiervan bewust zijn en zo nodig moet die bewustheid worden gecreëerd.

Dat zet de weg open naar het vinden van oplossingen met het Openbaar Ministerie en de opsporingsinstantie, zoals de FIOD, om te voorkomen dat de onderneming ter ziele gaat nog voordat het onderzoek goed en wel is afgerond. Dergelijke oplossingen kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in het mogelijk maken van bepaald betalingsverkeer op een voor de ondernemer minst schadelijke wijze of het vrijgeven van een deel van het beslag op saldi om noodzakelijke betalingen te kunnen blijven uitvoeren.

Hoewel mijns inziens in een bepaalde mate sprake is van ondernemersrisico, is in veel gevallen het kantelpunt bereikt dat de bijkomende effecten van een strafrechtelijk onderzoek disproportioneel zijn. Het is ook aan het Openbaar Ministerie om thuis te geven als de verdediging zich meldt met concrete en redelijke oplossingen in relatie tot bijvoorbeeld de betrokken dienstverleners om die schade zoveel mogelijk te beperken.

 

[1] ECLI:NL:RBROT:2023:10109, Rechtbank Rotterdam, C/10/665575 / KG ZA 23-835 (rechtspraak.nl)

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. G.M. (Mariëlle) Boezelman