Het Hertoghs cassatieteam brengt maandelijks cassatienieuws!
Navigeer snel met een bladwijzer
Meer vragen over dit onderwerp?
Neem contact met ons op, we vertellen u graag meer!
Beste lezer,
Hierbij ontvangt u ons cassatienieuws over de maand april. Op voorhand merken wij op dat naast de hierna te bespreken items in april twee arresten (ECLI:NL:HR:2026:571 en ECLI:NL:HR:2026:450) zijn gewezen door de Hoge Raad die wij in deze nieuwsbrief niet behandelen vanwege de betrokkenheid van ons kantoor.
In deze editie bespreken wij onder meer een arrest van de Hoge Raad over het beroep op de legitieme portie onder het oude erfrecht en de fiscale gevolgen daarvan, evenals een arrest over het una via‑beginsel bij de combinatie van een vergrijpboete en een strafrechtelijke veroordeling. Ook komt een principieel arrest aan bod over belastingrente en het legaliteitsbeginsel, waarin de Hoge Raad benadrukt dat de datum van de beschikking doorslaggevend is. Verder behandelen wij het arrest van de Hoge Raad, waarin wordt benadrukt dat een fiscale eenheid bij oninbaarheid alleen btw terug kan krijgen als de onbetaalde vordering ziet op de vergoeding voor de belaste prestatie waarvoor btw is afgedragen.
Daarnaast besteden wij uitgebreid aandacht aan twee conclusies van de advocaten‑generaal Wattel en Koopman, over respectievelijk de consistentie bij een fiscale doorkijkbenadering en de doorwerking van omkering en verzwaring van de bewijslast in beroep op Sint Maarten. Tot slot staan we stil bij actuele ontwikkelingen bij de Hoge Raad, waaronder tien jaar prejudiciële vragen en het onlangs verschenen jaarverslag.
Heeft u vragen of wilt u sparren? Neem dan vooral contact met ons op. Wij wensen u veel leesplezier.
Hartelijke groet,
Angelique Perdaems, Diede Molenaars, Antoine Blomen, Sara van Hemert & Josephine Hermes
Beroep op legitieme portie leidt tot goederenrechtelijke aanspraak onder oud erfrecht
De vader van belanghebbende heeft zijn echtgenote tot enig erfgename benoemd. Bij zijn overlijden in 1995 hebben belanghebbende en zijn broer een beroep gedaan op de legitieme portie. Hier is vervolgens geen actie op ondernomen en de nalatenschap van vader is onverdeeld gebleven. Moeder komt in 2019 te overlijden.
Een beroep op de legitieme portie onder het oude erfrecht (dat gold tot 1 januari 2003) leidt niet tot een vorderingsrecht, maar tot een goederenrechtelijke aanspraak. Omdat geen schuld is ontstaan, hoeft er ook geen rente te worden berekend. Daarnaast was geen sprake van een ouderlijke boedelverdeling, omdat vader zijn echtgenote in het testament tot enige erfgenaam had benoemd. Er ontstond dus geen te verdelen gemeenschap.
De klacht van belanghebbende dat het afwijzen van de partnervrijstelling in strijd is met artikel 14 EVRM wordt door de Hoge Raad verworpen onder verwijzing naar de conclusie van A-G Koopman. In zijn conclusie stelt Koopman vast dat er inderdaad onderscheid wordt gemaakt tussen bloedverwanten en niet-bloedverwanten, maar dat dit nog geen discriminatie is. Omdat de partnervrijstelling is bedoeld voor partners die jegens elkaar een zorgplicht hebben welke voortvloeit uit hun samenlevingsverband en niet uit hun bloedverwantschap, is de keuze van de wetgever niet onredelijk.
Al met al een boeiend arrest voor de praktijk. Het arrest illustreert hoe geschillen die op het eerste oog louter civiel lijken, vergaande fiscale gevolgen kunnen hebben.
Geen schending una via-beginsel bij vergrijpboete en strafrechtelijke veroordeling
Aan de BV waarvan belanghebbende bestuurder was zijn over de periode januari 2011 tot en met december 2013 naheffingsaanslagen in de loonheffingen opgelegd. Over het jaar 2013 is tevens een vergrijpboete opgelegd. Omdat de naheffingsaanslagen, vergrijpboete en rente onbetaald zijn gebleven, is belanghebbende daarvoor door de Ontvanger aansprakelijk gesteld.
Belanghebbende is door de Rechtbank Oost-Brabant strafrechtelijk veroordeeld voor het feitelijk leiding geven aan onder andere het onvolledig of onjuist doen van aangiften voor de loonheffing. Belanghebbende stelt dat het aansprakelijk stellen voor de vergrijpboete en de veroordeling voor het feitelijk leidinggeven een schending oplevert van het una via-beginsel.
De Hoge Raad oordeelt dat er geen sprake is van schending van het una via-beginsel, omdat de strafrechtelijke veroordeling ziet op andere aangiftetijdvakken dan waarop de vergrijpboete ziet waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld. A-G Koopman wees er in zijn conclusie op dat sprake was van verschillende tijdvakken.
Met dit oordeel komt de Hoge Raad niet toe aan de kernvraag of sprake is van bestraffing voor hetzelfde feit. Er worden ook geen overwegingen ten overvloede aan gewijd terwijl A-G Koopman in zijn conclusie voorafgaand aan het arrest een aantal interessante punten opwerpt over de reikwijdte van het una via-beginsel (ECLI:NL:PHR:2025:1399, Parket bij de Hoge Raad, 25/01557). Hij is van mening dat sprake is van dezelfde persoon nu de bestuurder aansprakelijk is gesteld voor de boete. Of sprake is van hetzelfde feit is volgens de A-G niet eenduidig te beantwoorden. Voor de praktijk is het belangrijk om het standpunt dat sprake is van hetzelfde feit goed te motiveren. De feitenrechter zal daar dan in de uitspraak gemotiveerd op moeten responderen.
Belastingrente en het legaliteitsbeginsel: de datum van de beschikking is beslissend
Hoewel het financiële belang van deze zaak beperkt is tot drie euro, is het juridische belang aanzienlijk. De Hoge Raad bevestigt allereerst – onder verwijzing naar zijn arrest van 16 januari 2026 – dat een belastingrente van minimaal 4% voor andere belastingen dan de vennootschapsbelasting niet onevenredig is en geen strijd oplevert met artikel 1 EP EVRM. Dat oordeel verrast niet gelet op het arrest van 16 januari 2026. Daarover schreven wij in de cassatienieuwsbrief over januari 2026.
Wel nieuw en principieel is het oordeel dat bij het nemen van de beschikking belastingrente niet vooruit mag worden gelopen op een nog niet in werking getreden renteverhoging, ook niet als het gaat om rente over een toekomstig tijdvak dat ligt na inwerkingtreding van de renteverhoging.
Het ging om belastingrente over de periode 1 oktober tot en met 20 oktober 2020. De regeling waarin het rentepercentage werd verhoogd van 0,01% naar 4% trad op 1 oktober 2020 in werking. De belastingrentebeschikking dateerde echter van 26 september 2020. Op dat moment gold het verhoogde rentepercentage nog niet en kon het dus niet worden toegepast.
Een logisch en zuiver oordeel in het licht van het legaliteitsbeginsel. Toch oordeelde het Hof anders en moest de Hoge Raad ingrijpen. Het Hof achtte een uitzondering aanvaardbaar omdat reeds kenbaar was welk rentepercentage zou gaan gelden en verwees naar een arrest van 2 oktober 2009 over terugwerkende kracht. Dat oordeel gaat echter mank. Kenbaarheid is geen reden voor een uitzondering, er is geen sprake van een wet in formele zin die terugwerkende kracht regelt en van terugwerkende kracht was hier überhaupt geen sprake. Er bestaat hier, aldus de Hoge Raad, geen ruimte voor een uitzondering.
Het belastingrentepercentage wordt van tijd tot tijd aangepast en dan is het goed om alert te zijn. Niet de periode waarover rente wordt berekend is beslissend, maar de datum van de beschikking! Financieel zal het meestal weinig uitmaken, juridisch des te meer. Dat deze zaak, hoewel een gering financieel belang, wel van juridisch gewicht is, laat de Hoge Raad ook expliciet tot uitdrukking komen in het oordeel over de proceskostenvergoeding.
Oninbare vordering en fiscale eenheid
A BV en B BV maken deel uit van dezelfde fiscale eenheid en zijn actief in de telecomsector. A BV verkoopt telefoonabonnementen, waarbij consumenten de mogelijkheid hebben om een telefoontoestel aan te schaffen. Indien niet ineens wordt betaald, verstrekt B BV het krediet aan de consument om het toestel aan te schaffen. De consument sluit dan twee overeenkomsten (abonnement met A en toestelkredietovereenkomst met B). Als consumenten de aflossingstermijnen op het verstrekte krediet niet betalen, wil de fiscale eenheid – met een beroep op artikel 29 Wet OB – de verschuldigde BTW daarover terugvragen.
Het Gerechtshof Den Haag oordeelde, onder verwijzing naar het arrest Norddeutsche Gesellschaft für Diakoniede van het HvJ EU, dat er één btw-belastingplichtige is, namelijk de fiscale eenheid, zodat het volgens het Hof niet uitmaakt of A BV of B BV de prestatie verricht. Het Hof beoordeelde het vereiste rechtstreekse verband tussen prestatie en vergoeding vanuit een economisch-financieel perspectief.
In tegenstelling tot het Hof oordeelt de Hoge Raad dat niet uit de rechtspraak van het HvJ EU volgt dat het rechtstreeks verband tussen de prestatie en de vergoeding dat nodig is voor toepassing van artikel 29 lid 1 Wet OB, vooral vanuit economisch en financieel perspectief moet worden beoordeeld. Voor teruggaaf van btw over een oninbare vordering moet vaststaan dat de oninbare vordering de vergoeding betreft die rechtstreeks verband houdt met de belaste levering/dienst waarvoor btw is gefactureerd en afgedragen. De Hoge Raad wijst er nog op dat de rechtspraak die het Hof aanhaalt, waaruit volgt dat alle geld- en goederenbewegingen en diensten binnen de fiscale eenheid voor de heffing van omzetbelasting buiten beschouwing moeten blijven, ziet op prestaties onder bezwarende titel tussen leden van dezelfde fiscale eenheid, niet met derden.
Kortom, juist de specifieke contractuele verhouding is van belang voor de vraag of een rechtstreeks verband bestaat tussen de vergoeding en de prestatie waarvoor btw is afgedragen. Hoewel de fiscale eenheid één btw-belastingplichtige is, kan het rechtstreeks verband tussen de prestatie en de vergoeding niet enkel op het niveau van de fiscale eenheid worden beoordeeld; de contractuele afspraken op het niveau van de leden van de fiscale eenheid zijn van belang. De bewijslast dat sprake is van een rechtstreeks verband ligt bij de fiscale eenheid. Of aan die bewijslast is voldaan, is aan het verwijzingshof om te onderzoeken.
Ook zien we in dit arrest de invloed van HvJ Remling terug. De Hoge Raad schrijft expliciet – met de woorden ‘buiten redelijke twijfel’ – dat er geen twijfel bestaat over de uitleg van het Unierecht met als gevolg dat er geen prejudiciële vragen worden gesteld.
Conclusie A-G Wattel: consistentie bij fiscale doorkijkbenadering
Kernvraag in de conclusie van A-G Wattel is of het Hof zijn oordeel toereikend heeft gemotiveerd dat de verdachte als economisch eigenaar van de via de door hem beheerste CV en BV ontvangen consultancyvergoedingen moet worden aangemerkt.
De A-G constateert een inconsistentie in de redenering van het Hof, aangezien deze enerzijds door de CV en BV heen kijkt en de verdachte als rechtstreeks gerechtigde tot alle inkomsten beschouwt, maar anderzijds de Vpb-aangiften van diezelfde vennootschappen als strafbaar onjuist aanmerkt. De A-G stelt onomwonden dat dezelfde betalingen niet tegelijk brutowinst van een vennootschap én bruto-inkomen van een natuurlijk persoon kunnen zijn. Men kan een vennootschap niet tegelijk wél en niet negeren. Daarbij geldt dat een niet-open CV überhaupt niet Vpb-plichtig is, zodat Vpb-aangiften van de CV betekenisloos zijn, en dat de nihilaangifte Vpb 2016 van de BV in de look-through-benadering van het Hof juist niet onjuist was, omdat de BV dan geen inkomsten heeft genoten.
Over de overige cassatiemiddelen oordeelt de A-G genuanceerd. Het daderschapsverweer strandt omdat de verdachte niet heeft geconcretiseerd welke andere functionaris de aangiften zou hebben gedaan, zodat geen responsieplicht ex art. 359 lid 2 Sv ontstaat. Het medepleegmiddel faalt omdat art. 51 lid 3 Sr vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid gelijkstelt met rechtspersonen en de CV voor de omzetbelasting zelfstandig belastingplichtig kan zijn (art. 12 lid 1 jo. art. 37 Wet OB). Het kostenverweer acht de A-G te vaag nu geen concrete kosten zijn gespecificeerd en voor veroordeling geen exacte winstberekening nodig is. Wat de strekkingstoets betreft, herhaalt de A-G — in lijn met HR BNB 2020/70 — dat beslissend is of de gedraging naar haar aard in het algemeen geschikt is om te lage heffing teweeg te brengen, niet of in concreto een bestendige praktijk met de fiscus bestond.
Ten slotte signaleert de A-G dat het door het OM gepresenteerde benadelingsbedrag van € 604.317 niet klakkeloos kan worden overgenomen. Een niet-gespecificeerd lijstje bedragen zonder toelichting op de berekening is ontoereikend, te meer nu sprake is van parallelle IB- en Vpb-nadeelbedragen bij een natuurlijk persoon en twee entiteiten waarvan er één niet Vpb-plichtig is.
Wie als strafrechter kiest voor fiscale transparantie — het doorkijken door de CV en BV — moet de consequenties daarvan consequent doortrekken naar alle bewezenverklaringen. Het is onhoudbaar dezelfde kasstromen als eigen inkomen van de verdachte te kwalificeren én tegelijk als onjuist aangegeven vennootschapswinst te bestempelen, en de cryptische overweging over “fiscaalrechtelijk economisch eigendom” voldoet niet aan de motiveringsdrempel die de ontnemingsrechtspraak over vereenzelviging en simulatie stelt, al blijft de precieze maatstaf voor look-through buiten het ontnemingskader een open vraag waarop meer houvast volgens de A-G welkom zou zijn. Het meest wezenlijke praktijkgevolg schuilt in de nadeelberekening: bij parallelle IB- en Vpb-componenten is een reconciliatie onontbeerlijk om dubbeltellingen te voorkomen, en de eis dat het OM controleerbaar uiteenzet hoe het nadeel is berekend, raakt niet alleen de motiveringsplicht maar ook schikkingsonderhandelingen en boetebesluiten.
Conclusie A-G Koopman: omkering en verzwaring werkt door in beroep op Sint Maarten
In zijn conclusie behandelt A‑G Koopman twee kwesties met een zaak overschrijdend belang in het Caribische belastingprocesrecht. De doorwerking van omkering en verzwaring van de bewijslast in de beroepsfase en de processuele gevolgen van een nieuw geschilpunt dat pas ter zitting in hoger beroep is aangevoerd.
Ten aanzien van de bewijslast overweegt Koopman dat de omkering en verzwaring niet beperkt blijft tot de bezwaarfase, ook al ontbreekt in het huidige Sint‑Maartense recht een expliciete bepaling voor de beroepsfase. De belastingrechter toetst immers de uitspraak op bezwaar en moet daarbij – zo nodig – doen wat de inspecteur had behoren te doen. Dat impliceert volgens Koopman dat de bewijsregels die de inspecteur in de bezwaarfase had moeten toepassen, doorwerken in de rechterlijke fase. Dat de wetgever een vroegere bepaling hierover heeft geschrapt, acht Koopman niet doorslaggevend .
Daarnaast oordeelt Koopman dat het Hof ten onrechte volledig is voorbijgegaan aan een door belanghebbende ter zitting in hoger beroep opgeworpen nieuw geschilpunt. Hoewel een dergelijk laat aangevoerd standpunt zich veelal niet verdraagt met de goede procesorde, had het Hof volgens de A‑G uitdrukkelijk moeten motiveren of en waarom dit geschilpunt buiten beschouwing werd gelaten. Door daarover te zwijgen, is de uitspraak onvoldoende gemotiveerd. Om die reden concludeert Koopman tot vernietiging en terugwijzing, zodat het Hof dit geschilpunt alsnog kan beoordelen. Hierbij merkt Koopman nog op dat naar zijn mening het nieuwe geschilpunt niet meer wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten kan worden omdat de inspecteur na terugwijzing van de zaak zich goed kan voorbereiden op de inhoudelijke behandeling.
De conclusie van Koopman benadrukt nog maar eens hoe belangrijk het is tijdig de juiste argumenten aan te dragen in een procedure. De belanghebbende in kwestie lijkt in deze procedure slechts te worden gered door een slordigheid van het Hof.
10 jaar prejudiciële vragen aan de belastingkamer van de Hoge Raad
De Hoge Raad organiseerde op 2 april jl. een symposium vanwege het 10-jarig bestaan van de prejudiciële procedure. Deze procedure houdt in dat de feitenrechter een rechtsvraag die in veel vergelijkbare procedures speelt aan de Hoge Raad kan voorleggen. Vervolgens beantwoordt de Hoge Raad die vraag en kan de feitenrechter het (eind)oordeel geven met toepassing van de uitleg die de Hoge Raad geeft.
Tijdens het symposium is uitgebreid stilgestaan bij de ervaringen vanuit de rechtelijke macht, de fiscale praktijk alsmede de ervaringen die in het civiele recht en het strafrecht zijn opgedaan. De bevindingen komen erop neer dat er nog wel wat moet gebeuren om van de prejudiciële procedure in fiscale zaken een succes te maken. De boodschap vanuit de rechtspraak is gericht aan de feitenrechters en houdt in dat zij moeten afwijken van hun gewoonte om een zaak te beslissen terwijl een rechtsvraag ook voor kan worden gelegd aan de Hoge Raad. Het is aan partijen om de feitenrechter te triggeren om prejudiciële vragen te stellen in zaken die zich daarvoor lenen. Het moet dan gaan om een rechtsvraag die in veel vergelijkbare procedures speelt. Deze laatste voorwaarde staat niet in de wet maar volgt uit de toelichting bij de wet.
Het is belangrijk om de feitenrechter in een vroeg stadium erop te wijzen dat wordt verzocht om prejudiciële vragen te stellen. Ook kan worden verzocht om de zaak met voorrang te behandelen, zodat de zaak zo snel mogelijk bij de Hoge Raad terechtkomt. Het verkrijgen van een aanzienlijke procesversnelling is immers een belangrijk doel van de prejudiciële procedure. Helaas werken de rechtbanken niet altijd mee aan zo’n verzoek waardoor het nog steeds wachten is tot een zaak ter zitting wordt ingepland. Om van de prejudiciële procedure een succes te maken is het belangrijk dat de feitenrechters naast de Hoge Raad ook voorrang gaan geven aan zaken waarin prejudiciële vragen aan de Hoge Raad kunnen worden voorgelegd.
Jaarverslag Hoge Raad
De Hoge Raad heeft ook dit jaar weer een digitaal jaarverslag uitgebracht. In dit jaarverslag wordt extra aandacht besteed aan taken van de Hoge Raad die minder bekend zijn, zoals zaken over de rechtspositie van rechters. Bij de Belastingkamer valt op dat er meer nieuwe zaken zijn binnengekomen dan verwacht en dat de gemiddelde doorlooptijd is toegenomen. Dat is slecht nieuws voor de belastingplichtigen die in cassatie gaan. Die gemiddelde doorlooptijd bevat immers ook een groot aantal zaken die versneld worden afgedaan met toepassing van artikel 80a Wet RO. De zaken die ertoe doen en waarin belangrijke rechtsvragen aan de orde zijn, liggen vaak jaren bij de Hoge Raad. Zo worden na conclusies van advocaat-generaal Koopman nog arresten verwacht over de partiële omkering en verzwaring van de bewijslast en over de vraag of via de FIOD verkregen fiscaal advies voor de belastingheffing mag worden gebruikt.
De belastingkamer licht in het jaarverslag een aantal thema’s uit. Genoemd worden de arresten over proceskostenvergoeding in no cure no pay-zaken maar ook twee arresten over het gelijkheidsbeginsel. De Hoge Raad achtte in tegenstelling tot advocaat-generaal Wattel het uitgaan van alleen één -en driepersoonshuishoudens en dus niet van tweepersoonshuishoudens niet evident onredelijk. Op het gebied van het materiële belastingrecht wordt een btw-zaak genoemd waarin prejudiciële vragen aan het HvJ EU zijn gesteld, worden de arresten genoemd in de schenkbelasting over oneigenlijk gebruik van de jubelton en wordt aandacht besteed aan de arresten over renteaftrek waarbij eigen vermogen wordt omgezet in leningen. Tot slot wordt aandacht besteed aan een arrest over elektronische communicatie. Daarmee laat de Hoge Raad zien oog te hebben voor de digitalisering van procedures en de soms negatieve gevolgen daarvoor voor de rechtsbescherming van belastingplichtigen.
Voor de praktijk is het een belangrijk signaal dat de belastingkamer van de Hoge Raad lange doorlooptijden heeft. Anderzijds laat de Belastingkamer zien dat in een breed pallet aan zaken belangrijke arresten zijn gewezen. Gelet op de doorlooptijden is het voor cassatieadvocaten des te belangrijker om in de cassatieschriftuur te benadrukken wat het belang van een zaak is en waarom de Hoge Raad in die zaak een inhoudelijk oordeel zou moeten geven door bijvoorbeeld een rechtsregel nader te duiden.