Spring naar content

Cassatienieuws januari 2026

06 februari 2026
WELKOM

Beste relatie,

Het Hertoghs cassatieteam brengt maandelijks cassatienieuws!

Wat bieden wij?

Elke eerste vrijdag van de maand blikken wij terug op de meest relevante en prikkelende arresten en conclusies van de Hoge Raad. Ook aan cassatie verwante ontwikkelingen zoals arresten van het EHRM en het HvJ EU komen aan bod. Na het lezen van ons cassatienieuws bent u op de hoogte van de belangrijkste recente ontwikkelingen die u kunt toepassen in uw praktijk.

Wie zijn wij?

Het voeren van een cassatieprocedure is een vak apart. Binnen Hertoghs Advocaten worden de cassatieprocedures door ons cassatieteam gevoerd. Ook denken wij mee in de procedure bij het Hof zodat de zaak wordt voorbereid op een mogelijke cassatie. Onze kennis en ervaring delen wij graag met u.

Breaking news

In deze editie een uitspraak van het EHRM die gevolgen heeft voor de Hoge Raad. Komt er door die uitspraak een einde aan het met artikel 81 Wet RO afdoen van verzoeken om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen? Wij menen van wel, in ieder geval in zaken waarin artikel 6 EVRM van toepassing is.

Wij wensen u veel leesplezier en zijn altijd bereid om van gedachten te wisselen over cassatierechtelijke vragen of om mee te denken over (de haalbaarheid van) cassatie.

Hartelijke groet,

Angelique Perdaems, Diede Molenaars, Antoine Blomen, Sara van Hemert & Josephine Hermes

ARRESTEN HOGE RAAD

Belastingrente voor de vennootschapsbelasting van 8% is onverbindend

De Hoge Raad oordeelt dat de per 1 januari 2022 in het Besluit belasting- en invorderingsrente opgenomen verhoging van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting naar  8% onverbindend is. De verhoging berust (hoofdzakelijk) op een budgettair doel en treft uitsluitend Vpb-plichtigen waardoor volgens de Hoge Raad sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. De desbetreffende bepaling moet daarom buiten toepassing blijven. Voor het rechtsherstel sluit de Hoge Raad aan bij het algemene rentepercentage dat ook voor andere belastingen geldt. Dat is in het betrokken jaar 4%. De Hoge Raad gaat in ten overvloede gegeven overwegingen ook in op andere jaren en andere aangevoerde argumenten en overweegt dat de minimumpercentages in het Besluit niet in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel.

Voor de fiscale praktijk is dit arrest belangrijk omdat via massaal bezwaarprocedures bezwaar is gemaakt tegen de belastingrente voor meerdere jaren en meerdere heffingen. Uiterlijk op 26 februari 2026 doet de inspecteur één collectieve uitspraak op de bezwaren vennootschapsbelasting die vallen onder het massaal bezwaar welke te lezen is op de  website van de Belastingdienst en in de Staatscourant. Wat de gevolgen van het arrest zijn voor de belastingrente bij andere belastingen die onder de massaal bezwaarprocedure vallen wordt door de Belastingdienst nog bekeken.

Bekijk hier het volledige arrest

ARRESTEN HOGE RAAD

Artikel 10a Wet vpb niet in strijd met evenredigheidsbeginsel

Het Hof van Justitie van de EU heeft op 4 oktober 2024 – als antwoord op de gestelde prejudiciële vragen door de Hoge Raad – bevestigd dat de renteaftrekbeperking van artikel 10a Wet VPB 1969 in lijn is met het EU-recht. In de betreffende zaak laat de Hoge Raad het oordeel van het Hof in stand dat de betrokken groepsleningen geen reële economische functie hadden en uitsluitend waren aangegaan vanwege de onderlinge verbondenheid tussen de vennootschappen en het beoogde belastingvoordeel. In zulke situaties mag de Belastingdienst de renteaftrek volledig weigeren, zonder dat dit in strijd is met het EU-rechtelijke evenredigheidsbeginsel. Ook het verweer dat geen sprake zou zijn van een volstrekt kunstmatige constructie houdt volgens de Hoge Raad geen stand. Volgens de Hoge Raad is de nationale maatstaf van artikel 10a Wet Vpb niet strenger dan de Unierechtelijke maatstaf.

Bekijk hier het volledige arrest

CONCLUSIE

Conclusie A-G Koopman over una-via-beginsel bij aansprakelijkstelling vergrijpboete

Een interessante conclusie van A-G Koopman over het una-via-beginsel bij een aansprakelijkstelling voor een vergrijpboete.

In deze zaak staat de vraag centraal of het una-via-beginsel is geschonden. Strafrechtelijk is de bestuurder van een BV veroordeeld wegens feitelijk leidinggeven aan het doen van onjuiste aangiften loonheffingen door de BV. Daarnaast heeft de Belastingdienst de bestuurder persoonlijk aansprakelijk gesteld voor een vergrijpboete die aan de BV is opgelegd wegens het opzettelijk betalen van een te laag bedrag aan loonheffing.

De A-G schetst het juridisch kader van het una-via-beginsel. De A-G merkt op dat zonder de aansprakelijkstelling een dubbele bestraffing van dezelfde persoon niet aan de orde was geweest omdat de rechtspersoon en de dga niet worden vereenzelvigd. De A-G meent, ons inziens terecht, dat voor de toepassing van art. 5:44 Awb de aansprakelijkstelling voor een boete op één lijn moet worden gesteld met het opleggen van een bestuurlijke boete aan die persoon. Daardoor is sprake van dezelfde persoon.

Vervolgens besteedt de A-G aandacht aan de vraag of sprake is van hetzelfde feit. Volgens de A-G schiet de motivering van het hof tekort. Door het hof is niet gemotiveerd waarom het doen van onjuiste aangiften gelijk zou zijn aan het te weinig betalen van belasting. Daarnaast ziet de strafzaak op aangiften over de jaren 2011‑2012, terwijl de aansprakelijkstelling de boete over 2013 betreft. De A-G concludeert daarom tot gegrondverklaring van het incidentele cassatieberoep en verwijzing voor nadere feitelijke beoordeling.

Bekijk hier de volledige conclusie

EHRM

EHRM 8 januari 2026, Ferrieri and Bonassisa v. Italy

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in de zaak FERRIERI AND BONASSISA v. ITALY geoordeeld dat het recht op privacy van artikel 8 EVRM is geschonden.

Het Hof stelt voorop dat bankgegevens, waaronder rekeninginformatie en transactiegeschiedenis, persoonlijke gegevens zijn die vallen onder de bescherming van het privéleven in de zin van artikel 8 EVRM. Het raadplegen en analyseren van bankafschriften door de belastingdienst vormt daarom een inmenging in het door artikel 8 EVRM beschermde recht. Het Europese hof oordeelt vervolgens dat geen voldoende precieze wettelijke grondslag aanwezig was doordat de wet een onbeperkte discretionaire bevoegdheid geeft én dat een rechterlijke toetsing ontbreekt.  

Het EHRM komt tot de conclusie dat de Italiaanse wettelijke regeling niet voldoet aan de vereisten van “quality of law” én onvoldoende procedurele waarborgen bevat tegen willekeur en misbruik. Het EHRM oordeelt dat artikel 8 EVRM is geschonden.

De uitspraak van het EHRM heeft ons inziens ook belangrijke gevolgen voor de Nederlandse praktijk.  In Nederland worden in het ‘voorschrift informatie fiscus/banken’ voorwaarden verbonden aan het verzoek dat aan de bank wordt gedaan. De vraag is of die voorwaarden ver genoeg gaan én of voldoende controleerbaar is of de Belastingdienst daaraan voldoet. De rechterlijke toetsing ontbreekt in Nederland bij derdenonderzoeken. Net als in de Italiaanse zaak is de mogelijkheid van het voeren van een civiele procedure geen effectieve rechtsgang, mede gelet op de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging bij het niet-voldoen aan informatieverplichtingen. Betoogd kan dan ook worden dat met informatieverzoeken aan banken artikel 8 EVRM wordt geschonden met als gevolg bewijsuitsluiting. Wellicht zou een informatiebeschikking voor derdenonderzoeken uitkomst bieden.

Zie ook Hertoghs Beschouwt: #437 Italiaanse Belastingdienst schendt recht op privacy en #439 Fiscale informatieverzoeken versus privacy: tijd voor een correctie.

Bekijk hier het volledige arrest

EHRM

EHRM Reservistenpraktijk

De Hoge Raad kent een zogenoemde ‘reservistenpraktijk’. Dat houdt in dat, in afwijking van artikel 75 RO waarin is bepaald dat zaken bij de Hoge Raad behandeld en beslist worden door drie of vijf leden van een meervoudige kamer, de overige leden van een kamer wél kunnen deelnemen aan de beraadslaging over zaken in de raadkamer. Dit met het oog op het bewaken van de rechtseenheid. Art. 1.1.3 en 1.1.4 van het Procesreglement van de Hoge Raad biedt deze mogelijkheid.

In 2019 is ten aanzien van deze werkwijze een klacht ingediend tegen Nederland bij het EHRM wegens schending van het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM). De kern van de klacht is dat door de reservisten mee te laten beslissen de wettelijke samenstelling van de Hoge Raad in cassatie is overschreden waardoor de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het gerecht in cassatie niet is gewaarborgd.

Op 11 juli 2024 oordeelde het Hof van Justitie van de EU dat de Kroatische praktijk van het voorleggen van beslissingen aan een ‘registratierechter’ (vergelijkbaar met de reservistenpraktijk in Nederland) niet verenigbaar is met art. 19 lid 1 VEU waarin is bepaald dat de lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de in het Unierecht vallende gebieden te verzekeren. De grote vraag is dan ook of de reservistenpraktijk van de Hoge Raad eveneens aan banden wordt gelegd. En zo ja, of dat dan alleen geldt voor Unierechtelijke zaken en in zaken waarin artikel 6 EVRM van toepassing is. Dat lijkt ons een onwenselijk onderscheid.

De zaak bij het EHRM over de Nederlandse reservistenpraktijk is ontvankelijk verklaard en wordt inhoudelijk beoordeeld door de Grote Kamer. De pleitzitting bij de Grote Kamer heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026. Het is nu wachten op de uitspraak.

Bekijk hier het persbericht

EHRM

EHRM Hoge raad moet afwijzen prejudiciele vragen motiveren

Het EHRM (Gondert v. Germany, C-34701/21) oordeelt op grond van artikel 6 EVRM en gelet op het vereiste van een eerlijk proces dat de hoogste rechter moet motiveren waarom geen prejudiciële vragen worden gesteld. Er moet dan wel een concreet en onderbouwd verzoek worden gedaan. De Duitse rechter merkte op dat onderzocht was of een vraag moest worden gesteld. Het EHRM overweegt dat de rechter moet motiveren op basis van welk criterium geen prejudiciële vragen moeten worden gesteld (niet relevant, reeds uitgelegd of uitleg evident).  

Het EHRM benadrukt het belang om te begrijpen waarom een verzoek om prejudiciële verwijzing is afgewezen. Uit de uitspraak van de hoogste rechter zal moeten blijken waarom op basis van de CILFIT-criteria geen prejudiciële vragen worden gesteld. De Raad van State heeft op 12 maart 2024 in een vreemdelingenzaak prejudiciële vragen aan het HvJ EU gesteld over de vraag of verkort mag worden gemotiveerd (zie ook: blog van Angelique Perdaems). Gelet op de aansluiting die het HvJ EU bij het EHRM zoekt, kunnen wij ons voorstellen dat het HvJ EU tot hetzelfde oordeel komt. Wat ons betreft hoeft dit niet beperkt te blijven tot zaken waarin artikel 6 EVRM van toepassing is.

Wij menen dat de Hoge Raad in ieder geval als artikel 6 EVRM van toepassing is bij een gemotiveerd verzoek om prejudiciële vragen te stellen het cassatiemiddel niet met artikel 81 Wet RO af mag doen. De Hoge Raad moet motiveren op grond van welke van de drie criteria geen prejudiciële vragen worden gesteld.

Bekijk hier het volledige arrest

Ook interessant...

Sorry, we konden geen berichten vinden. Probeer andere zoekterm(en).