Blijft toepassing van artikel 81 Wet RO mogelijk als een partij voorstelt om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen? Die vraag is opnieuw actueel. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft daarover op 12 maart 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU.
De aanleiding daarvoor is het arrest Consorzio van het HvJ EU van 6 oktober 2021. Daarin is overwogen dat ‘uit de motivering van de beslissing’ van de hoogste rechter moet blijken op welke van de drie gronden geen prejudiciële vragen zijn gesteld. Namelijk een acte clair, een acte éclairé of omdat de vraag niet relevant is voor de beslechting van het geschil. De Afdeling twijfelt of met verkort motiveren aan deze voorwaarde wordt voldaan en stelt daarover een prejudiciële vraag aan het HvJ EU.
De Hoge Raad is tot op heden van oordeel dat het wijzen van een arrest met toepassing van artikel 81 Wet RO aan de motiveringseisen voldoet. Dat is mijns inziens in strijd met het arrest Consorzio. De antwoorden op deze vragen zijn dan ook van belang voor de wijze waarop de Hoge Raad het niet-stellen van prejudiciële vragen moet motiveren. Voor een beter begrip van de arresten van de Hoge Raad en voor de rechtsontwikkeling zou het een goede ontwikkeling zijn indien het niet-stellen van prejudiciële vragen wordt gemotiveerd met een verwijzing naar één van de drie categorieën. Bij de acte éclairé kan eenvoudig naar de eerdere jurisprudentie worden verwezen en bij de acte clair geldt kan kort worden toegelicht waarom het antwoord op de vraag evident is.
Wellicht triggert de uitspraak van de Afdeling de Hoge Raad om soortgelijke prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen over toepassing van artikel 81 Wet RO!
Wilt u hierover graag nader van gedachten wisselen? Neem dan gerust contact op met Angelique Perdaems.