Skip to content

De eerste fiscale prejudici�le vragen

05 augustus 2016

De rechtbank Zeeland West-Brabant heeft de primeur. In twee uitspraken van 1 augustus 2016 heeft zij prejudiciële vragen aan de belastingkamer van de Hoge Raad gesteld. Sinds 1 januari 2016 bestaat deze mogelijkheid in het belastingrecht.[1]

De eerste uitspraak

De prejudiciële vragen zien op de verschuldigdheid van dividendbelasting door een buitenlandse beleggingsinstelling. In de eerste uitspraak van 1 augustus 2016[2] voert de belanghebbende aan dat het vrij verkeer van kapitaal ertoe noopt dat aan hem een teruggaaf dividendbelasting wordt verleend omdat hij objectief en overigens vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigde fiscale beleggingsinstelling. Opmerkelijk is dat de Hoge Raad daarover in zijn arrest van 10 juli 2015, BNB 2015/203[3] heeft geoordeeld. De belanghebbende stelt dat dat arrest onjuist is en voelt zich daarbij gesteund door in de vakliteratuur op dat arrest geleverd kritiek.

De rechtbank gaat daar in mee en oordeelt dat naar aanleiding van het arrest van het HvJ EU van 17 september 2015 in de gevoegde zaken Miljoen, X en Société Générale SA (het arrest Miljoen)[4] een aantal vragen rijst bij het arrest BNB 2015/203. De rechtbank acht van belang dat als reactie op het arrest BNB 2015/203 en op het arrest Miljoen in de literatuur de vraag is opgeworpen of de Hoge Raad wel de juiste vergelijkingsmaatstaf heeft aangelegd en of de Hoge Raad niet prejudiciële vragen aan het HvJ EU had moeten stellen.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het niet duidelijk is of het arrest BNB 2015/203 in overeenstemming is met het EU-recht. De rechtbank had daarover prejudiciële vragen aan het HvJ EU kunnen stellen. Zij kiest er echter voor om het arrest oordeel van de Hoge Raad in BNB 2015/203 te respecteren en het aan de Hoge Raad te laten om te beoordelen of hij nog steeds achter dat arrest staat dan wel of hij prejudiciële vragen aan het HvJ EU voorlegt.

Bij zijn beslissing prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen neemt de rechtbank mee dat de rechtbank 1.500 zaken in voorraad heeft waarin de vraag speelt of een buitenlands beleggingsfonds objectief vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigde fiscale beleggingsinstelling.

De criteria voor het stellen van prejudiciële vragen houden op grond van artikel 27ga AWR in dat sprake moet zijn van een rechtsvraag waarvan de beantwoording nodig is om in de bij de feitenrechter voorliggende zaak te kunnen beslissen. Uit de memorie van toelichting[5] volgt dat het de bedoeling van de wetgever is dat het moet gaan om rechtsvragen die (potentieel) in een groot aantal vergelijkbare gevallen spelen.

 

De tweede uitspraak

In de tweede uitspraak van 1 augustus 2016[6] stelt de rechtbank dezelfde prejudiciële vraag aan de Hoge Raad. Ook worden vragen gesteld over de vraag of aan de vergelijkbaarheidstoets wordt voldaan zoals de aandeelhouderseis en de uitdelingseis. De rechtbank acht het stellen van deze vragen van belang omdat afhankelijk van het oordeel van de Hoge Raad daaraan toe wordt gekomen. Ook voor deze vragen geldt dat deze in een groot aantal zaken spelen en dat er belang is bij duidelijkheid in een vroeg stadium.

Interessant voor de prejudiciële vragenprocedure is dat de rechtbank in deze laatste uitspraak overweegt dat partijen een groot aantal aanvullende prejudiciële vragen en subvragen heeft gesteld.  De rechtbank overweegt deze vragen niet allemaal over te nemen omdat:

– deze binnen de reikwijdte van de eerste vraag vallen;

– de vraag niet relevant is voor de beslissing in de zaak;

– de vraag feitelijke grondslag mist;

– de rechtbank het antwoord op de vraag niet zodanig voor twijfel vatbaar acht dat een prejudiciële vraag gerechtvaardigd is;

– de vraag van een te hoog detailniveau is.

Het is de vraag of deze laatste twee argumenten opgaan. Uit de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis blijkt niet dat vereist is dat het antwoord op de vraag voor twijfel vatbaar is. Dat criterium geldt bij de beoordeling of een prejudiciële vraag aan het HvJ EU wordt gesteld, maar niet voor prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Het gaat erom of sprake is van een rechtsvraag. Indien die rechtsvraag door partijen verschillend wordt beantwoord, bestaat reeds grond die vraag aan de Hoge Raad voor te leggen. Een uitzondering daarop kan zijn indien de partij een niet onderbouwd standpunt inneemt.

Het detailniveau hoeft ook niet te bepalen of de rechtsvraag wordt voorgelegd. Indien die rechtsvragen niet worden voorgelegd, is een aanzienlijke kans aanwezig dat de zaak alsnog nadat de prejudiciële procedure is doorlopen via de reguliere procedure bij de Hoge Raad terechtkomt.

 

Hoe nu verder?

Uit het procesreglement[7] van de Hoge Raad volgt dat de procedure met voortvarendheid wordt gevoerd. De Hoge Raad zal partijen de gelegenheid geven op de beslissing van de rechtbank te reageren. Daarnaast kan de Hoge Raad anderen dan partijen in de gelegenheid stellen opmerkingen te maken. Gelet op het belang dat de rechtbank hecht aan de discussie in de literatuur acht ik het wenselijk dat de Hoge Raad de personen die in de literatuur een relevante bijdrage hebben geleverd in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken. De Advocaat-Generaal zal gelet op het belang van deze zaak en de discussie hierover in de literatuur vermoedelijk een conclusie nemen. Ik ben benieuwd op wat voor termijn de Hoge Raad duidelijkheid geeft en of daar prejudiciële vragen aan het HvJ EU aan vooraf gaan. Gelet op de discussie in de literatuur is geen sprake van een acte clair of éclairé zodat de Hoge Raad daar niet omheen kan.

 

[1] Voor een uitgebreidere toelichting verwijs ik naar het commentaar bij de artikelen 27ga tot en met 27ge AWR in NDFR.

[2] Rb Zeeland-West-Brabant 1 augustus 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:4828.

[3] HR 10 juli 2015 ECLI:NL:HR:2015:1777, BNB 2015/203.

[4] HvJ van 17 september 2015 in de gevoegde zaken C-10/14, C-14/14 en C-17/14, Miljoen, X, en Société Générale SA.

[5] Kamerstukken II 34305, nr. 3, blz. 53.

[6] Rb Zeeland-West-Brabant 1 augustus 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:4829.

[7] https://www.hogeraad.nl/Reglementen/procesregeling-prejudiciele-vragen-aan-de-belastingkamer-van-de-hoge-raad-der-nederlanden