Skip to content

De verlengde navorderingstermijn: �opkomen in het buitenland�en winst uit onderneming in Nederland. Een uitgemaakte zaak? NTFR-A 2017-9

De verlengde navorderingstermijn: ‘opkomen in het buitenland’en winst uit onderneming in Nederland. Een uitgemaakte zaak?

In de jurisprudentie komt met een regelmaat de vraag aan de orde of de verlengde navorderingstermijn van 16, vierde lid, AWR, kan worden toegepast op in Nederland verdiende winsten die (later) op een buitenlandse bankrekening zijn gestort. Het antwoord op die vraag wordt in de lagere jurisprudentie zowel bevestigend als ontkennend beantwoord. Maar is in die situaties wel sprake van ‘opkomen in het buitenland’? In hun bijdrage voor het NTFR-A (2017, nr. 9) gaan Kim Demandt en Thijs Droog in op deze vraag. Zij analyseren de jurisprudentie van de Hoge Raad over artikel 16, vierde lid, AWR en leggen deze naast de recent gewezen lagere jurisprudentie. Ook betrekken zij hierbij de twee zeer recent gewezen conclusies van A-G IJzerman van 28 juni 2017, die in een tweetal zaken een conclusie neemt over de vraag of de verlengde navorderingstermijn van toepassing is op in Nederland verdiende winsten van een ijssalon en een interieurwinkel, die vervolgens op een buitenlandse bankrekening zijn gestort. De A-G geeft aan dat hierop de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing is.

Belangrijk punt is ook nog de omkering en verzwaring van de bewijslast als de vereiste aangifte niet is gedaan. Wie moet dit bewijzen? En wanneer moet hieraan worden getoetst? Hierin is eveneens een wisselend beeld te zien in de lagere jurisprudentie. A-G IJzerman stipt dit punt ook aan in zijn conclusie van de ijssalon-zaak. In hun bijdrage voor het NTFR-A worden hier kritische kanttekeningen bij geplaatst.

Lees het artikel hier.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. K.M.G. (Kim) Demandt