Spring naar content

#405 Douane als doorgeefluik: het beroepsgeheim is niet meer wat het was

28 april 2025

Op 15 april 2025 heeft de Tweede Kamer ingestemd met het wetsvoorstel ‘Wet gegevensverstrekking douane vooruitvoering politie- of toezichtstaken’. Kern van dit voorstel is dat een wettelijke grondslag wordt gecreëerd voor de inspecteur van de douane om informatie te verstrekken aan de politie, koninklijke marechaussee, de Financial Intelligence Unit (FIU) en de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) in gevallen waar thans nog het beroepsgeheim van de inspecteur geldt. Hierdoor zal in de toekomst sneller informatie vanuit de douane worden gedeeld met de hierboven genoemde autoriteiten. De gevolgen hiervan acht ik groot; daar ga ik hierna verder op in.

Het beroepsgeheim van de douane

Op grond van het Douanewetboek van de Unie (DWU) en de Algemene Douanewet (Adw) is de inspecteur van de douane gebonden aan een beroepsgeheim.[1] Deze geheimhoudingsplicht strekt zich uit tot alle vertrouwelijke gegevens of gegevens die als vertrouwelijk aan de douane zijn verstrekt bij de uitvoering van haar taken. Eenvoudiger gezegd betreffen dit gegevens waarover douaneambtenaren beschikking krijgen vanuit hun douane-werkzaamheden.

Volgens de wetgever is de gedachte achter het beroepsgeheim dat:

“de persoon die het aangaat erop moet kunnen vertrouwen dat de gegevens die aan de douane worden verstrekt uitsluitend worden gebruikt voor het toezicht op de naleving van de douanewetgeving, waarvoor de gegevens zijn verstrekt.” [2]

Dit beroepsgeheim vormt aldus een belangrijk rechtsstatelijk uitgangspunt. Dit heeft ook tot gevolg dat het alleen mogelijk is om van het beginsel van geheimhouding af te wijken indien een wettelijke grondslag voor die afwijking bestaat. Zo bestaan bijvoorbeeld al uitzonderingen in de gevallen waarin sprake is van een redelijk vermoeden van een strafbaar feit[3] of als de officier van justitie vordert gegevens te verstrekken in het kader van een opsporingsonderzoek[4].

Met het aangenomen wetsvoorstel wordt de informatieverstrekking echter aanzienlijk uitgebreid. Wat met name opvalt is dat de voorwaarde dat sprake moet zijn van een verdenking voordat de informatie door de douane over de heg wordt gegooid los wordt gelaten. Sterker nog: het is de bedoeling van de wetgever om de douane al in de ‘toezichtsfase’ de bevoegdheid te geven informatie te laten delen met andere autoriteiten.

Het voorstel

In het aangenomen voorstel worden namelijk aan de Adw twee artikelen toegevoegd: art. 1:39 en 1:40 Adw. Art. 1:39 Adw regelt de mogelijkheid om gegevens te delen met de politie of de KMar. Hierin zit wel de beperking dat alleen gegevens mogen worden gedeeld die van belang zijn voor het verkrijgen van inzicht in misdrijven waarop naar  – de wettelijke omschrijving – een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. De grens is bij vier jaar of meer gesteld, omdat dit volgens de wetgever feiten zijn die voldoende ernstig zijn om het opheffen van het beroepsgeheim te rechtvaardigen.

Voor de fiscale context is evenwel art. 1:40 Adw – en dan nog meer in het bijzonder het tweede lid – nog interessanter. Dit lid bepaalt namelijk:

“De inspecteur verstrekt, voor zover dit noodzakelijk is, zowel uit eigen beweging als op verzoek, kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – gegevens, waaronder persoonsgegevens, en inlichtingen met betrekking tot individuele gevallen aan de Belastingdienst/Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst, voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en opsporing, bedoeld in de artikelen 3 en 12 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, in overeenstemming met het bevoegd gezag, bedoeld in dat artikel 3, onderscheidenlijk dat artikel 12.”

Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat dit lid ertoe strekt om toe te staan dat de douane gegevens aan de FIOD verstrekt “die noodzakelijk zijn voor de strafrechtelijke handhaving op het werkterrein van de FIOD; het aanpakken van financiële en fiscale criminaliteit. Andere gegevens mogen onder dit artikellid niet worden gedeeld. De bestrijding van financiële en fiscale criminaliteit is voldoende ernstig om het opheffen van het beroepsgeheim te rechtvaardigen”.[5]

Enkele observaties

Ten eerste vraag ik mij – meer vanuit een dogmatisch oogpunt – af of het bovenstaande lid daadwerkelijk de bevoegdheid van de douane om informatie te verstrekken aan de FIOD vergroot. Immers, van strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en opsporing kan pas sprake zijn indien er een vermoeden is gerezen dat een strafbaar feit is begaan. Zoals hierboven beschreven, is de douaneambtenaar in dat soort gevallen al ontheven van zijn beroepsgeheim.

De wetgever beoogt echter om informatie-uitwisseling vanuit de douane met andere autoriteiten toe te staan in gevallen waarin nog geen sprake is van een (formele) verdenking. We zullen er daarom van uit moeten gaan dat de douane in de praktijk eerder informatie zal uitwisselen.

Ten tweede laat deze uitbreiding wel zien dat de belastingplichtige die wordt geconfronteerd met een vragenbrief van de douane bedacht moet zijn op het feit dat in de ‘toezichtsfase’ informatie wordt gedeeld door de douane met andere instanties. Zo kan informatie die vanuit de heffingskant dient te worden verstrekt aan de douane eerder op het bord van andere autoriteiten terechtkomen.

Het is daarbij naar mijn mening zaak om bij informatieverzoeken vanuit de douane nog kritischer te zijn op welke informatie wordt verstrekt. Dan kan ook nader worden bezien of de douane met zijn verstrekkende bevoegdheden niet in feite het net aan het ophalen is voor andere autoriteiten.

Bijstand van een (specialistische) advocaat voor de beantwoording van een informatieverzoek vanuit de douane is in dat kader zeker geen overbodige luxe. U kunt er maar beter vroeg bij zijn. Wilt i meer weten over het beroepsgeheim van de douane, bekijk dan ook ons andere artikelen over douane procedures.
 

 

[1] Artikel 12 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269) (DWU) en artikel 1:5 Adw.
[2] Kamerstukken II 2024/25, nr. 36 668, nr. 3, p. 1.
[3] Artikel 12 DWU jo. 161 Wetboek van Strafvordering.
[4] Art. 126nc, 126uc en 126zk Wetboek van Strafvordering.
[5] Kamerstukken II 2024/25, nr. 36 668, nr. 3, p. 12.

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. R. (Ruben) Scherpenisse