Skip to content

Fair play bij de Belastingdienst

09 mei 2016

Fair play bij de Belastingdienst; van blauwe envelop naar blauwe kaart?

Sinds kort bestaat bij sommige jeugdwedstrijden in het amateurvoetbal een ‘blauwe kaart’ bij sportief gedrag. Immers, bij een wedstrijd dienen beide partijen zich aan de spelregels te houden. Dit geldt ook voor de partijen binnen een fiscale procedure: behandel elkaar met respect en houd je aan de geldende regels.

Het fiscale spel wordt onder meer genormeerd door het beginsel van fair play. Dit beginsel schetst gedragsregels die gelden in de relatie tussen de belastingplichtige en de Inspecteur. Daarnaast heeft het werking als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dat de positie van de belastingplichtige beschermt.

Het beginsel van fair play geldt voor alle bestuursorganen, dus ook voor de Belastingdienst en de Inspecteur. De Inspecteur mag de burger niet frustreren in de mogelijkheid op te komen voor zijn recht en belangen. Hij dient zich te allen tijde eerlijk en fatsoenlijk te gedragen.[1] Dit geldt zowel voor zijn actief als passief handelen. Indien nodig, dient de Inspecteur in sommige situaties zelfs informatie te verschaffen of de burger te waarschuwen. Het fair play-beginsel normeert voorts het niet ‘fair’ aanwenden van de bevoegdheden van de Inspecteur. Zo volgt uit het bekende ‘fair play’-arrest dat de Inspecteur niet van zijn bevoegdheden gebruik mag maken om kennis te krijgen van fiscaalinhoudelijke stukken.[2] Kennisneming van dergelijke stukken wordt niet fair geacht.

Recentelijk boog het Hof Arnhem-Leeuwarden[3] zich over een zaak waarin het fair play-beginsel een rol speelde. Belanghebbende wilde in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering onderwijs. Hiervoor dient men te beschikken over zogenoemde ‘verklaringen werkloze’ van het UWV. Hoewel belanghebbende deze niet in zijn bezit had, zegde de Inspecteur toe de afdrachtvermindering toe te passen als hij de verklaringen van het UWV alsnog kon overleggen. Het UWV besloot de aanvragen van belanghebbende met terugwerkende kracht te beoordelen. Kennelijk wilde de Inspecteur hiervoor een stokje steken. Hij nam rechtstreeks – en zonder medeweten van belanghebbende – contact op met het UWV en benadrukte dat de beslissing voor het UWV een enorme hoeveelheid werk met zich zou brengen, nu andere belanghebbenden ongetwijfeld ook verzoeken zouden gaan indienen. Vervolgens weigerde het UWV de verklaringen werkloze aan belanghebbende te verstrekken.

Gelet op deze gang van zaken acht het Hof zeker niet denkbeeldig dat de Inspecteur de beoordeling van de aanvragen door het UWV in negatieve zin heeft beïnvloed. Terecht oordeelt het Hof dan ook dat de Belastingdienst met dit optreden door de Inspecteur het fair play-beginsel heeft geschonden. De Inspecteur bood belanghebbende door zijn toezegging een mogelijkheid om tot een oplossing te komen, terwijl hij vervolgens – op voor belanghebbende niet kenbare wijze – het effectief gebruik maken van die mogelijkheid door belanghebbende probeerde te belemmeren. Dit is niet fair. De Inspecteur heeft na zijn toezegging de afdrachtvermindering te accepteren als de verklaringen worden overgelegd. Dat hij na zijn toezegging nog trachtte de afgifte van de verklaringen in negatieve zin te beïnvloeden, wordt door het Hof dan ook niet geaccepteerd.

Tussen de Inspecteur en de belastingplichtige bestaat nu eenmaal geen gelijke relatie. Het fair play-beginsel beoogt in elk geval een eerlijke relatie. In de praktijk verliest de Belastingdienst dit helaas wel eens uit het oog. Indien de Inspecteur zich niet ‘fair’ opstelt verdient hij in ieder geval geen ‘blauwe kaart’. Het werd dan ook een rode.

 

[1] P.G.M. Jansen, Beginselen van behoorlijk bestuur in het belastingrecht, Fiscale geschriften, Sdu: Amersfoort 2006, p. 102.
[2] HR 23 september 2005, BNB 2006/21.
[3] Hof Arnhem-Leeuwarden 19 januari 2016, nr. 15/00185 en 15/00186, ECLI:NL:GHARL:2016:527.