Skip to content

Geen redelijk vermoeden? Fishing!

18 mei 2016

Wettelijk gezien is eenieder desgevraagd gehouden de door de inspecteur gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Is dit nu een ongelimiteerde bevoegdheid van de inspecteur? Zeker niet! De gevraagde gegevens en inlichtingen moeten van belang kunnen zijn voor de belastingheffing. Bovendien is het de inspecteur verboden om vragen te stellen in het kader van een “fishing expedition”. De vragen die hij stelt moeten ergens op gebaseerd zijn: een redelijk vermoeden.

 

(On)rechtmatige vragen

Discussies over de relevantie en rechtmatigheid van bepaalde vragen ontstaan bijvoorbeeld bij situaties waarin vermogen op buitenlandse rekeningen is ontdekt door de fiscus of alsnog is aangegeven door de belastingplichtige. Vragen over dit vermogen zullen zich vaak niet beperken tot het saldo op de bankrekeningen. De herkomst of de plaats waar het vermogen zich thans bevindt zouden van belang kunnen zijn, uiteraard afhankelijk van de casus. Een veel voorkomende vraag is dan ook: waar is het vermogen nu? Is er bijvoorbeeld sprake geweest van overheveling naar andere (buitenlandse) rekeningen? Vragen over deze veronderstelde bankrekening zullen volgen, maar als deze rekening niet bestaat, dan kan de belastingplichtige deze vragen ook niet (afdoende) beantwoorden. In de praktijk ontstaan nogal eens welles-nietes discussies tussen de inspecteur en de belastingplichtige. Want wat te doen als de inspecteur geen genoegen neemt met het antwoord van de belastingplichtige?

 

Een stap te ver

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft het doorvragen van de inspecteur in een arrest van 22 maart 2016 aan banden gelegd. De zaak betrof een belastingplichtige van wie door de rechter was vastgesteld dat hij een rekening had aangehouden bij de KB Lux. Over latere jaren was vervolgens door de inspecteur een informatiebeschikking afgegeven. In geschil was of de informatiebeschikking terecht was afgegeven.

De informatiebeschikking viel in wezen uiteen in twee onderdelen. De inspecteur had over de jaren 2009 tot en met 2011 een informatiebeschikking vastgesteld waarin hij vragen stelde over het vermogen op de bankrekening bij de KB Lux, maar ook over mogelijke andere niet-aangegeven buitenlandse bankrekeningen. Dit laatste ging het Hof een stap te ver.

De inspecteur had aannemelijk gemaakt dat belanghebbende beschikte over een bankrekening bij de KB Lux van 1996 tot en met 2007. Deze discussie was uitgevochten tot aan het Hof Arnhem-Leeuwarden, die op 23 december 2014 dus oordeelde in het voordeel van de inspecteur. Hierbij overwoog het Hof dat een aanzienlijk saldo in een land met een bankgeheim “niet zomaar verdween”.[1] Een en ander rechtvaardigde het vermoeden dat de rekeningen gedurende die jaren aanwezig was. In deze nieuwe procedure nam het Hof deze redenering over voor wat betreft de vragen over de KB Lux rekening.

Met betrekking tot de overige vragen oordeelde het Hof echter anders. De inspecteur had de vragen onderbouwd door te wijzen op de mogelijkheid dat X het vermogen van de KB Lux rekening mogelijk (deels) had overgeheveld naar een andere rekening.  Dit vond het Hof niet voldoende. Voor de vervolgvragen bestond op het moment van vragen geen aanleiding. De inspecteur had met betrekking tot de KB Lux-rekening in deze informatiebeschikking ook vragen gesteld over de mogelijke overheveling van het vermogen. Nu hierop nog geen antwoord was gegeven was er geen redelijk vermoeden van overheveling. Daarom “moeten de vervolgvragen te zeer worden gekenschetst als een fishing expedition”, aldus het Hof. Deze vervolgvragen had hij in redelijkheid (nog) niet mogen stellen. Nog niet; want had belanghebbende op de vraag over de overheveling van vermogen vanaf de KB Lux-rekening nu bevestigend geantwoord, dan bestaat er mogelijk wél aanleiding voor nadere vragen over mogelijke andere buitenlandse rekeningen.

 

Tik op de vingers

Niettemin is het arrest een welkome tik op de vingers van de inspecteur. Wie A zegt, hoeft niet altijd B te zeggen: dat iemand een rekening bij de KB Lux aanhield, betekent nog niet dat hij ook andere buitenlandse rekeningen aanhoudt. Hiervoor moet de inspecteur tenminste aanwijzingen hebben. Zonder dergelijke aanwijzingen is de blote stelling dat het vermogen mogelijk is overgeheveld niet afdoende voor het afgeven van een informatiebeschikking met dergelijke vragen.

 

[1] FutD 2015/0213, FutD 2016/0682.