Eind januari riep Transparency International de politiek (wederom) op tot actie en betere corruptiebestrijding. Daarbij vestigde TI de aandacht op ‘Nederlandse financiële structuren’ en noemde zij witwassen ‘een punt van aanpak’. Het risico van versplintering van internationale onderzoeken ligt daarbij op de loer. Dit zet individuele rechtsbescherming onder druk.
Lees hier alvast een voorproefje:
Transparency International (TI) concludeert op basis van de eind januari 2022 verschenen Corruption Perceptions Index (CPI) dat de corruptiebestrijding in Nederland stagneert. Dat baart TI ernstig zorgen. Met name ‘Nederlandse financiële structuren’ vormen volgens TI een obstakel in de aanpak van corruptie wereldwijd en witwassen wordt een punt van aanpak genoemd. Daarom komt de non-profit organisatie met een aantal aanbevelingen, waaronder de bestrijding van grensoverschrijdende corruptie. Deze aanbeveling heeft echter als risico dat internationale opsporing verder zal versplinteren, met alle gevolgen van dien voor de rechtsbescherming van verdachte (rechts)personen in onderzoeken naar grensoverschrijdende geldstromen.
Het Nederlandse Wetboek van Strafrecht kent diverse corruptiebepalingen. Zo zijn op grond van artikel 177 Sr (rechts)personen die aan een ambtenaar een gift, belofte of dienst aanbieden met het oogmerk hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten strafbaar. De ambtenaar die een dergelijke gift, belofte of dienst aanneemt, is strafbaar op grond van artikel 363 Sr. Ook buitenlandse ambtenaren vallen onder het bereik van deze twee bepalingen. Dat betekent dat het Nederlandse Openbaar Ministerie ook (rechts)personen kan vervolgen die zich schuldig maken aan het omkopen van buitenlandse ambtenaren. In Nederland wordt dit aangeduid als ‘buitenlandse corruptie’ en door TI als ‘foreign corruption’.
Zoals ook beschreven in Vaklunch #431, concludeerde de internationale tak van TI al in 2020 dat de handhaving van corruptiewetgeving in Nederland beperkt was, met name in relatie tot buitenlandse ambtenaren. De belangrijkste reden hiervoor is dat het Nederlandse Openbaar Ministerie geen jurisdictie kan claimen over buitenlandse werknemers van Nederlandse (rechts)personen die zich schuldig maken aan het omkopen van buitenlandse ambtenaren. Niettemin blijkt uit de Aanwijzing opsporing en vervolging van buitenlandse corruptie van oktober 2020 dat het Nederlands Openbaar Ministerie vervolging van Nederlandse (rechts)personen voor buitenlandse corruptie zeker niet uitsluit.
Lees hier het volledige artikel: (G)een schot hagel bij internationale onderzoeken!Â