Spring naar content

Getuigenbewijs in het fiscaal bestuursrecht. TFB 2013, nr 4

De wet bepaalt dat de belastingrechter de opgeroepen en verschenen of meegebrachte getuige in beginsel dient te horen. Indien de getuige wel door belanghebbende is opgeroepen maar niet verschenen, bepaalt de wet dat de rechter deze getuige kan oproepen. Slechts in uitzonderlijke gevallen zou de rechter van horen kunnen afzien, maar hoe gaan rechters hiermee in de praktijk om?

Lees hier een voorproefje:

In het fiscaal bestuursrecht kan een belanghebbende gebruikmaken van alle mogelijke bewijsmiddelen om zijn stellingen aannemelijk te maken. Daaronder valt tevens het getuigenbewijs. De belanghebbende kan schriftelijke verklaringen van een getuige inbrengen, de beoogde getuige meebrengen ter zitting of hem oproepen aldaar te verschijnen. Ook kan hij getuigenbewijs als voorwaardelijk bewijs aanbieden.

De belastingrechter dient de opgeroepen en verschenen of meegebrachte getuige in beginsel te horen. Slechts in uitzonderlijke gevallen mag hij van horen afzien. Indien een getuige wel door de belanghebbende is opgeroepen, maar niet is verschenen, bepaalt de wet dat de rechter deze getuige kan oproepen. Slechts door een enkel arrest van de Hoge Raad is aan dit vereiste nadere invulling gegeven. Het is echter de vraag of dit dé maatstaf is die een belastingrechter in elk van de voorkomende gevallen dient aan te leggen.

In deze publicatie proberen wij op deze vraag een antwoord te vinden. Het belang hiervan schuilt in het gegeven dat getuigenbewijs een belangrijke bijdrage kan leveren aan de onderbouwing van een door een belanghebbende ingenomen standpunt

Lees het artikel.