Spring naar content

Vaklunch #640: Van gezinsportemonnee tot witwasdossier

01 oktober 2025

De recente conclusie van de advocaat-generaal Sinnige in de zaak ECLI:NL:PHR:2025:1006 zet de discussie over de grenzen van het bewijs van witwassen op scherp. In deze zaak werd een vrouw veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen, omdat zij samen met haar echtgenoot grote hoeveelheden contant geld stortte en uitgaf. De advocaat-generaal adviseert de Hoge Raad om het cassatieberoep te verwerpen en sluit zich aan bij de redenering van het hof dat de omvang en frequentie van de contante geldstromen, in combinatie met het ontbreken van een legale herkomst, geen andere conclusie toelaat dan dat het geld uit misdrijf afkomstig was en de vrouw hiervan op de hoogte was.

Lees hier alvast een voorproefje:

Deze conclusie roept belangrijke juridische vragen op. Allereerst de vraag in hoeverre van een partner – in dit geval de vrouw – mag worden verlangd dat zij een concrete en verifieerbare verklaring geeft over de herkomst van het geld, anders dan dat haar man het geld verdiende. Het hof en de advocaat-generaal stellen dat dit mag, omdat zij ‘grotendeels’ op de hoogte was van de werkzaamheden van haar echtgenoot en zelf betrokken was bij het storten en uitgeven van het geld. Maar in de praktijk is het lang niet altijd zo dat een partner precies weet hoeveel de ander verdient, uit welke bronnen het geld afkomstig is, of hoe de administratie in elkaar steekt. Het feit dat de partner grotendeels op de hoogte is van de feitelijke werkzaamheden, betekent immers niet dat de partner op de hoogte is van de feitelijke inkomsten.

De advocaat-generaal tilt zwaar aan het feit dat de vrouw ‘grotendeels’ wist waar haar man werkte, maar dat zegt vooral iets over de aard van het werk (beveiliging) en niet over de precieze financiële details. Kennis van het beroep is niet hetzelfde als kennis van de inkomsten of de herkomst van het geld. In veel relaties is het heel gebruikelijk dat partners niet volledig inzicht hebben in elkaars inkomsten, zeker wanneer deze afkomstig zijn uit verschillende bronnen.

Een ander problematisch punt betreft de manier waarop het hof het bewijs van opzet invult en het feit dat de advocaat-generaal daar geen problemen inziet. Uit de hoge frequentie en de omvang van de contante geldstromen, alsook het ontbreken van een legale verklaring, wordt afgeleid dat de vrouw moet hebben geweten dat het geld uit misdrijf afkomstig was. Maar indicatoren zoals veel contant geld, grote coupures en het ontbreken van een verklaring zijn vooral aanwijzingen voor het objectieve element van witwassen. Dat betekent echter niet automatisch dat de partner ook het vereiste subjectieve bestanddeel – opzet of voorwaardelijk opzet – heeft gehad. De stap van ‘dit kan niet legaal zijn’ naar ‘zij moet dat hebben geweten’ is juridisch gezien te groot, zeker als er geen aanvullende aanwijzingen zijn dat de partner zich daadwerkelijk bewust was van de criminele herkomst.

Lees het volledige artikel hier: #640: Van gezinsportemonnee tot witwasdossier

Gepubliceerd door onze specialist:

Mr. J.N. (Judith) de Boer