Waar het zuiden des lands de afgelopen tijd vooral bezig was met het schenken van alcoholische versnaperingen (Alaaf!), boog de Rechtbank Den Haag zich recentelijk over een geheel andere schenking.[1] De rechtbank oordeelde dat de belanghebbende aannemelijk had gemaakt dat de schenking mondeling overeen was gekomen op een eerder tijdstip dan de Belastingdienst bepleitte. Dit had tot gevolg dat de aanslag met een grondslag van € 4.589.742 werd vernietigd.
Waar ging de casus precies om?
De vader van de belanghebbende houdt alle certificaten in X BV, welke op haar beurt 50% van de aandelen in Y BV hield. X BV draagt haar aandelen in Y BV over aan CV S op 30 november 2017. CV S verkoopt haar aandelen in Y BV aan PLC D en verkrijgt hiervoor tevens de aandelen in D. Op 24 januari 2018 gebeuren er een aantal dingen tegelijkertijd: (i) CV S verkoopt de aandelen in D aan Stichting B voor € 25,3 miljoen, welke door Stichting B schuldig wordt gebleven, (ii) belanghebbende verkrijgt van haar vader 1/3e van de certificaten in Stichting B en (iii) de vader van eiser neemt de verplichting op zich om € 4 miljoen op de door Stichting B uitgegeven certificaten te storten. Aan het eind van de dag hebben alle drie de kinderen elk 100 certificaten in Stichting B ter waarde van ongeveer € 1,33 miljoen.
Op 19 september 2018 doet de belanghebbende aangifte schenkbelasting voor de schenking van de certificaten in Stichting B op 24 januari 2018 voor een waarde van € 1.333.433. Hierbij overlegt zij een notariële schenkingsakte die is opgesteld op 17 april 2018. Er wordt een aanslag schenkbelasting opgelegd conform de ingediende aangifte. De inspecteur stuurt vervolgens aan de belanghebbende op 11 januari 2023 een uitnodiging tot het doen van aangifte schenkbelasting, waarbij de inspecteur het standpunt inneemt dat de schenking heeft plaatsgevonden op 17 april 2018 (de datum van de schenkingsakte). Op 30 juni 2023 heeft de belanghebbende een tweede aangifte ingediend voor een schenking ter waarde van € 2.076.881. De inspecteur legt vervolgens een tweede aanslag op waarbij een waarde van € 4.589.742 in aanmerking werd genomen.
Of de tweede aanslag rechtsgeldig is opgelegd, is afhankelijk van het tijdstip waarop de schenking is gedaan. Dit komt door de afwijkende aanslagtermijnen en aanvangsmomenten die de schenkbelasting kent.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het aan de belanghebbende is om aannemelijk te maken dat de schenking op 24 januari 2018 mondeling tot stand is gekomen. Slaagt de belanghebbende in deze bewijslast, dan wordt de tweede aanslag vernietigd en de eerste aangifte gevolgd, omdat deze tussen partijen zelf niet in geschil was. De rechtbank achtte aannemelijk dat hetgeen in de schenkingsakte was vastgelegd – dat de schenking mondeling was aangeboden op 24 januari 2018 – juist was. Hieraan staat niet in de weg dat het houderschap van vader ietwat ‘ongelukkig verwoord’ was in de schenkingsakte of dat een mondelinge schenking wellicht ingewikkeld en ongebruikelijk is. Dit laatste standpunt van de inspecteur snijdt mijns inziens sowieso geen hout, nu schenkingen in beginsel vormvrij zijn.[2]
De rechtbank merkt daarbij nog op dat het enkele feit dat er een verschil van mening bestaat over het tijdstip waarop de schenking is gedaan, niet betekent dat de belanghebbende met de eerste aangifte geen aangifte van de schenking heeft gedaan.
De inspecteur is tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gegaan.
Verdeling van de bewijslast
In het onderhavige geval rustte de bewijslast op de belanghebbende om aannemelijk te maken dat de schenking op 24 januari 2018 mondeling tot stand was gekomen. Hoewel aannemelijk maken de ‘zwakkere’ van de twee fiscale bewijsgradaties is,[3] dient een belanghebbende alsnog schriftelijke stukken te overleggen die zijn standpunt ondersteunen. Voor aanslagbelastingen, zoals de schenkbelasting, kan de aangifte als een wezenlijk bewijsmiddel worden gezien.[4] Voor deze belanghebbende kwam daar ook bij dat in de schenkingsakte nader gespecificeerd stond wat er op 24 januari 2018 was geschonken en dat er per mail gecommuniceerd was met de notaris op 18 januari 2018, voorafgaand aan het moment van schenken.
Een dergelijke ‘paper trail’ heb je als belanghebbende wel nodig om je standpunt aannemelijk te maken. Zeker als deze door de inspecteur gemotiveerd wordt betwist. Het is dus altijd raadzaam om een schenkingsovereenkomst, zeker van een dergelijke omvang, op papier te zetten. Zo kan over het tijdstip van de schenking in ieder geval geen discussie ontstaan. Dat je die discussie liever wil voorkomen, licht ik hierna verder toe.
Formele aspecten van de schenkbelasting
Hoewel de rechtbank in zijn laatste overweging (r.o. 16) de discussie over het tijdstip van de schenking ietwat bagatelliseert, kan het tijdstip van de schenking van groot belang zijn voor de belanghebbende. Dat komt mede omdat de schenkbelasting op formeel gebied een beetje een rare eend in de bijt is. Zo zijn er drie verschillende aanvangsmomenten voor de aanslagtermijn, afhankelijk van het wel of niet doen van een (tijdige) aangifte:
- Als tijdig aangifte is gedaan (binnen vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarin de schenking is gedaan) loopt de aanslagtermijn tot drie jaren na het moment van schenking[5];
- Als de aangifte niet tijdig is gedaan (na vier maanden na aflopen van het kalenderjaar waarin de schenking is gedaan) begint de aanslagtermijn van drie jaren te lopen op de dag nadat de aangifte is gedaan[6];
- Als geen aangifte is gedaan, begint de aanslagtermijn te lopen na de dag van inschrijving van de akte van overlijden van de schenker of van de begiftigde in de registers van de burgerlijke stand.[7]
Pas je bovenstaande regels toe op het onderhavige geval, zou je afhankelijk van het tijdstip van de schenking een ander scenario krijgen:
- Schenking op 24 januari 2018
De belastingschuld ontstaat op 24 januari 2018. De belanghebbende doet op 19 september 2018 aangifte van de schenking en doet daarmee tijdig aangifte. Dit betekent dat de aanslagtermijn loopt tot 24 januari 2021 en de navorderingstermijn tot 24 januari 2023. Hiermee zou de tweede aanslag (die sowieso na 30 juni 2023 is opgelegd) te laat zijn opgelegd. - Schenking op 17 april 2018
De belastingschuld ontstaat op 17 april 2018. Belanghebbende doet hier niet tijdig aangifte van, maar pas op 30 juni 2023. Daarmee begint de aanslagtermijn te lopen op 1 juli 2023 en vervalt de mogelijkheid tot het opleggen van een aanslag op 1 juli 2026 en het opleggen van een navorderingsaanslag op 1 juli 2028.
Hoewel tussen de twee verschillende schenkingstijdstippen slechts een verschil van minder dan 3 maanden zit, kon het voor deze belanghebbende een verschil in aanslagtermijnen van vijf jaren betekenen. Het is dus niet alleen voor de bewijslast belangrijk om goed vast te leggen wanneer een schenking tot stand komt, maar ook voor de aanvang van de aanslagtermijn.
Conclusie
Word je als begiftigde geconfronteerd met een achterdochtige inspecteur? Deze uitspraak van de rechtbank laat zien dat zelfs bij een mondelinge overeenkomst het mogelijk is om aan je bewijslast te voldoen. Maar voor schenken zonder kater, blijft het raadzaam om alles goed op papier te zetten.
[1] Rechtbank Den Haag 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24089.
[2] Titel 3 van boek 7 BW.
[3] A. Heidekamp, Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken, Deventer: Wolters Kluwer 2024, 7.3.8.1.
[4] A. Heidekamp, Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken, Deventer: Wolters Kluwer 2024, 7.3.5.2.
[5] Artikel 11 lid 3 AWR.
[6] Artikel 66 lid 1 sub 2 SW 1956.
[7] Artikel 66 lid 1 sub 2 SW 1956.